Door Erik Gerritsen • 06.06.11 • 5 reacties
Vandaar dat ik de komende tijd een aantal columns zal schrijven met tips vanuit de uitvoeringspraktijk. Als thema heb ik gekozen voor “Maak jeugdzorg overbodig”. Daarmee wil ik niet de indruk wekken dat dit een realistische ambitie is. Er zal altijd behoefte blijven aan jeugdzorg, zelfs in het meest excellent functionerende systeem. Maar het beroep op gespecialiseerde jeugdzorg kan wel fors worden teruggedrongen. Het thema “Maak jeugdzorg overbodig” is dan ook vooral gekozen vanuit het adagium: “als je op de sterren mikt dan bereik je tenminste de maan”.
Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat tips van een vertegenwoordiger van één van de bestaande jeugdzorginstituties met de nodige achterdocht zullen worden ontvangen. Zijn mijn tips niet gekleurd door institutionele belangen? Ik vind natuurlijk van niet, maar gezonde achterdocht is wat mij betreft prima. Vandaar dat mijn belangrijkste tip aan de gemeenten is “leer ons kennen”. Goed opdrachtgeverschap begint immers bij een stevige kennis van het werkveld waarvoor de gemeenten verantwoordelijk worden. Een deel van die kennis kan prima worden opgedaan door over de jeugdzorg te lezen en door inspiratiesessies bij te wonen. Maar je leert de jeugdzorg pas echt kennen door intensieve werkbezoeken en werkstages bij de verschillende instellingen. Door gesprekken met de professionals op de werkvloer en zo mogelijk door gesprekken met cliënten. Door je te verdiepen in de doelgroepen van de jeugdzorg, in individuele casuïstiek en door mee te lopen in het dagelijkse werk.
Dit lijkt op het eerste gezicht een zeer tijdsintensieve aangelegenheid, maar ik beloof u dat snel zal blijken dat deze investering de moeite waard is. Ondeskundig opdrachtgeverschap in de jeugdzorg is zowel financieel als voor de kwetsbare kinderen waar het uiteindelijk om draait een te groot risico om te nemen. Als we met zijn allen vinden dat uitvoeringslogica en leefwereld belangrijker zijn dan beleidslogica en systeemwereld, dan is het cruciaal dat de gemeentelijke opdrachtgevers, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau, zich de komende periode stevig gaan wentelen in de dagelijkse uitvoeringspraktijk van de jeugdzorg.
Het is natuurlijk heel verstandig om te luisteren naar de tips van een ervaringsdeskundige uit de jeugdzorg met stevige wortels in gemeenteland (ik was ooit gemeentesecretaris van Amsterdam). Het is nog verstandiger om de waarde van die tips zelf uitgebreid te checken. De beste manier om de jeugdzorg te leren kennen is door haar te ervaren. Dat is ook mijn persoonlijke ervaring. Ik dacht als gemeentesecretaris met een bijzondere interesse voor de uitvoering de jeugdzorg al aardig te kennen toen ik in 2009 aantrad als bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam. Maar ik heb het werk pas echt leren kennen toen ik de eerste zes weken intensief in alle teams meeliep en toen ik als voorzitter van cliëntenpanels in direct gesprek kwam met jongeren en hun ouders. En nog steeds heb ik vrijwel elke week wel ergens een contact met de uitvoering waarvan ik altijd weer iets opsteek.
Als de toekomstige
opdrachtgevers de moeite nemen om de jeugdzorg echt te leren
kennen, dan ben ik er van overtuigd dat ze de goede
beslissingen zullen nemen ten aanzien van de toekomstige
vormgeving van het onder hun verantwoordelijkheid vallende
jeugdzorgstelsel. Dan zijn zelfs de tips die ik de komende
tijd toch maar zal geven uiteindelijk overbodig.
Door Erik
Gerritsen • 15.06.11 • 8 reacties In eerdere columns en blogs besteedde ik al
uitgebreid aandacht aan het fenomeen van Eigen Kracht Conferenties (EKC’s).
Dat ga ik hier niet over doen. Er lijkt zich ook zo
langzamerhand een nationale consensus te ontwikkelen
over het belang van zaken als meer aandacht besteden aan
eigen kracht van mensen en hun sociale netwerken, het
belang van een goede pedagogische “civil society” en het
streven naar “herstel van het gewone leven” in plaats
van het exporteren van jeugdzorgproblematiek naar
gespecialiseerde jeugdzorgvoorzieningen. De Tweede Kamer
nam onlangs nog een amendement aan op de Wet op de
Jeugdzorg die gezinnen het recht geeft om een eigen plan
te maken. Er is veel wetenschappelijk bewijs dat de
inzet van EKC’s leidt tot minder en korter beroep op
gespecialiseerde jeugdzorg. Tegen deze achtergrond lijkt een pleidooi voor de
inzet van meer Eigen Kracht Conferenties een overbodige
tip. Toch is dat niet zo. Alleen in Overijssel en de
Stadsregio Amsterdam wordt al op stevige schaal gebruik
gemaakt van EKC’s. De stadsregio Amsterdam is met 300
EKC’s in 2010 en 600 geplande EKC’s in 2011 landelijk
koploper. Maar als je die aantallen afzet tegen het
totaal aantal kinderen dat in de stadsregio Amsterdam
cliënt is bij Bureau Jeugdzorg (10.000) dan gaat
het nog steeds om marginale aantallen, terwijl je alle
kwetsbare gezinnen zo’n EKC zou gunnen. En dan hebben we
het dus over een koploperregio. Ondanks de evidente voordelen is de inzet van
EKC’s nog lang geen vanzelfsprekendheid. Het vergt
politieke lef om er in te investeren, terwijl de
voordelen zich pas later uitbetalen. Het vergt ook een
stevige “mindshift” bij jeugdzorginstituties en
jeugdzorgprofessionals die moeten leren om “egoloos” te
werken. De eigen professionaliteit dienend maken aan het
eigenaarschap van de cliënten over het oplossen van
hun eigen problemen is weliswaar het summum van
professionaliteit, maar blijkt in de praktijk geen
sinecure. En er is het misverstand dat EKC’s niet zouden
werken bij de meest complexe gezinnen. Het tegendeel is
waar. Hoe ingewikkelder de problemen, hoe meer effect
kan worden bereikt met de inzet van EKC’s. Er is voor de gemeenten als toekomstige
opdrachtgevers van de jeugdzorg dus nog een wereld te
winnen. De ervaring in Overijssel en de Stadsregio
Amsterdam leert dat politiek leiderschap van de
verantwoordelijke politieke bestuurders een onmisbare
rol speelt bij het promoten van EKC’s. Daarnaast is
steun van bestuurders in de jeugdzorg en draagvlak onder
professionals natuurlijk ook onontbeerlijk. Maar het
begint bij politiek leiderschap. Dus wethouders jeugdzorg, mijn tip aan u is om
persoonlijk kennis te maken met het fenomeen van EKC’s
en om te durven investeren in een brede inzet ervan. De
Eigen Kracht Centrale en Bureau Jeugdzorg Agglomeratie
Amsterdam brachten onlangs de publicatie “Werken met
Eigen Kracht Conferenties in de jeugdzorg; ervaringen
van professionals” uit. Geen verkooppraatjes maar
prachtige en soms zelfs ontroerende verhalen vanuit de
werkvloer. Als opwarmertje sluit ik af met een aantal
citaten van mijn medewerkers. “Een plan dat gedragen wordt door alle
gezinsleden” “Alle afspraken lopen en ook de evaluaties voeren
ze zelf uit” “Ze deden alles zelf, alleen een woonurgentie
aanvragen bleef over voor de professionals” “Het is ook handig, daar ben ik eerlijk in” “Als ze belt, zeg ik ” kijk eens op je briefje
wie je daarbij helpt” “De kinderen genoten echt van alle mensen die
gekomen waren” “Als iedereen merkt dat het goed gaat, is de kans
groter dat ze het ook vasthouden” “Ze hebben zonder mij na drie maanden
geëvalueerd en de praktische zaken lopen goed” “Ze maakte
een omslag toen ze hoorde dat de familie zich ook zorgen
maakte” Door Erik Gerritsen • 22.06.11 • 4
reacties Het is immers een term die
hoort bij het “jeugdzorgcentrisme” waar we
afscheid van moeten nemen. Daarover lijkt
inmiddels wel een – mijns inziens terechte –
nationale consensus over te zijn ontstaan.
Jeugdzorgproblematiek moet niet worden
geëxporteerd naar speciale voorzieningen maar
worden geïmporteerd naar het gewone leven.
Herstel van het gewone leven moet het doel zijn.
Niet het “voorveld” maar de “pedagogische civil
society” moet een beroep op jeugdzorg zoveel
mogelijk overbodig maken. De gemeente is de
bestuurslaag bij uitstek om die “pedagogische
civil society” te stimuleren. Een immense niet te
onderschatten opgave die makkelijker gezegd is dan
gedaan. Want als het makkelijk was dan waren
gemeenten er in het kader van hun
WMO-verantwoordelijkheid al eerder in geslaagd om
een einde te maken aan het stijgende beroep op
dure jeugdzorg. Dan waren de gemeenten al veel
verder geweest in het vormgeven van de op zich
prima ontwikkeling richting laagdrempelige Centra
voor Jeugd en Gezin. Uit evaluaties blijkt dat
vele gemeenten weliswaar gestart zijn met de
invoering, maar nog stevig worstelen met
vraagstukken van precieze vormgeving, uitbouw naar
integrale dienstverlening van min negen maanden
tot aan 23 jaar, voorkomen van nieuwe bureaucratie
en het bevorderen van daadwerkelijke betere
samenwerking tussen alle betrokken instanties. Interessant voor gemeenten is
dat juist ervaringen in het oplossen van
bureaucratische en samenwerkingsknelpunten in de
“hoogdrempelige” complexe jeugdzorg veel
leerpunten opleveren voor het slim vormgeven van
de “laagdrempelige” Centra voor jeugd en gezin. Zo
is het bijvoorbeeld niet aan te raden CJG’s vorm
te geven als nieuwe “kathedralen”. Er is op zich,
vanuit “gebruiksgemak” en bevorderen van
samenwerking, veel te zeggen voor het huisvesten
van allerlei laagdrempelige voorzieningen in
één gebouw. Maar huisvesting in
één gebouw is nog geen garantie voor
een goede dienstverlening. Alles onderbrengen in
één nieuwe organisatie is dat ook
niet. Waar het vooral om gaat is het realiseren
van slimme verbindingen tussen verschillende
organisaties die in een netwerk samenwerken. Een
netwerk dat ook deels virtueel kan zijn, in plaats
van volledig ondergebracht in één
gebouw waarin je net zo makkelijk kunt verdwalen.
Gemeenten zouden er dus verstandig aan doen zich
te bekwamen in kunst van het
netwerkmanagement. Goed netwerkmanagement
betekent onder meer dat je de uitvoeringslogica en
leefwereld laat domineren boven de beleidslogica
en de systeemwereld. Dat betekent bijvoorbeeld dat
je qua werkwijze zo veel mogelijk aansluit bij de
plekken waar de kinderen veelvuldig te vinden
zijn, zoals het gezin, de buurt, de
consultatiebureaus en de scholen. Dat de
professionals die met kinderen werken vooral op
die plekken samen met ouders en kinderen werken
aan het oplossen van problemen. Van groot belang
daarbij is dat de (regie op de) samenwerking
tussen betrokken professionals vooral op
werkvloerniveau gestalte krijgt. Op basis van
korte lijnen tussen elkaar persoonlijk kennende
professionals die elkaar, met mandaat vanuit de
moederorganisaties, snel weten te vinden
(telefonisch of “face to face”) en kunnen handelen
direct als het nodig is, in plaats alles op te
sparen tot aan het eerstvolgende casusoverleg. Veel problemen kunnen op deze
manier in een vroegtijdig stadium worden
ondervangen. Voor de meer complexe problemen
verdient het aanbeveling om deze te bespreken in
één lokaal gezinsoverleg onder regie
van de gemeente in plaats van in de vele
verschillende casuïstiek overleggen waarvan
nu nog veelal sprake is. In die lappendeken aan
casuïstiek overleggen worden vaak dezelfde
kinderen besproken net vanuit een andere dominante
invalshoek, zoals bijvoorbeeld in de
veiligheidshuizen. Ook komt het veel voor dat
kinderen uit hetzelfde problematische gezin
afzonderlijk worden besproken in verschillende
overleggen zonder zicht op de totale
gezinssituatie. Dit alles is een recept voor
collectieve machteloosheid, afschuifgedrag en niet
effectief (want niet gezinsgericht) werken. Wanneer in zo’n lokaal
gezinsoverleg een goede gezinsgerichte analyse is
gemaakt van de problematiek, verdient het
aanbeveling om een gezinsmanager verantwoordelijk
te maken voor de regie op de aanpak van de
problemen van het hele gezin. Gezinsmanagement
vanuit Bureaus Jeugdzorg is een effectieve
werkwijze gebleken ten aanzien van de aanpak van
multiprobleemgezinnen in het zwaardere dwang en
drang kader. Dus waarom niet ook gezinsmanagement
“light” inzetten op het moment dat de problemen
nog niet stevig uit de hand gelopen zijn? Zo’n
gezinsmanager ontleent zijn/haar effectiviteit
vooral aan drie zaken. Doorzettingsmacht via de
bevoegdheid om te escaleren (desnoods tot aan de
burgemeester aan toe) bij knelpunten en
onvoldoende samenwerking op werkvloerniveau,
het vertrouwen dat ontstaat door het zijn van het
vaste gezicht in het gezin en de professionele
handelingsbekwaamheid om gezaghebbend en
daadkrachtig te opereren in zowel het complexe
gezin als in het complexe uitvoeringsveld. Resteert
de vraag waar de gemeente deze lichte vorm van
gezinsmanagement moet positioneren. Mijn advies is
om gezinsmanagement nadrukkelijk als kerntaak van
de gemeente zelf te organiseren op uitvoerend
niveau. Uitbesteden van deze overheidstaak aan een
zorgaanbieder betekent immers dat de gezinsmanager
in kwestie in een dubbelrol komt van regievoerder
en zorgaanbieder. Daarmee zou de gemeente een
cruciale functie om de jeugdzorg effectief en qua
kosten beheersbaar te houden uit handen geven. Het
verdient dan ook aanbeveling om deze
laagdrempelige vorm van gezinsmanagement in eigen
beheer uit te voeren. Te denken valt aan het
onderbrengen bij uitvoerende gemeentelijke
diensten als de GGD en de sociale dienst
afhankelijk van welke problematiek het meest
dominant is in het gezin.
Door Erik Gerritsen • 29.06.11 • 5
reacties In
het kader van het project “Alert4you”
is in verschillende pilotprojecten al veel
positieve ervaring opgedaan met samenwerking
tussen jeugdzorg en kinderopvang. Zo werken
in de regio Amsterdam MOC ’t Kabouterhuis
(een gespecialiseerde Jeugd- en Opvoedhulp
instelling voor jonge kinderen) samen met
kinderopvanginstelling Partou. Medewerkers
van het MOC trainen medewerkers van Partou
“on the job” in opvoedondersteuning van
ouders en vroegsignalering van problemen en
“vroegstimulering” van oplossingen en dragen
zo bij aan de professionalisering van de
kinderopvang. Indien specialistische
behandeling nodig is vindt die zo veel
mogelijk plaats op de kinderopvang in plaats
van dat de kinderen daarvoor naar het MOC
moeten gaan. Deze
professionalisering van de kinderopvang is
op zich zelf natuurlijk al een groot goed.
Het is een plek waar veel jonge kinderen een
aanzienlijk deel van hun tijd doorbrengen.
Daarnaast zal “vroegstimulering” een
bijdrage leveren aan het voorkomen van
onnodige verergering van problemen en
onnodig beroep op dure jeugdzorg. We moeten
niet vergeten dat we het hier over jonge
kinderen hebben in de leeftijdscategorie dat
veel onherstelbare schade kan worden
aangericht maar dus ook kan worden voorkomen
of kan worden hersteld. Juist jonge kinderen
zijn ongelooflijk veerkrachtig en kunnen
complexe problematiek te boven komen.
Tegelijkertijd is het signaleren en
behandelen van problemen bij jonge kinderen
extra ingewikkeld. Samenwerking met
gespecialiseerde instellingen voor Jeugd en
Opvoedhulp is dan ook noodzakelijk. Maar
de samenwerking tussen kinderopvang en
jeugdzorg biedt nog veel meer potentie. Een
professionele kinderopvang met goede
samenwerkingsrelaties met in jonge kinderen
gespecialiseerde jeugd- en opvoedhulp
organisaties kan in bepaalde gevallen een
aantrekkelijk perspectief zijn voor
uithuisplaatsing van in hun veilige
ontwikkeling bedreigde kinderen. Ouders kan,
als alternatief voor het zware middel van
Ondertoezichtstelling of zelfs
uithuisplaatsing, worden aangeboden om hun
kinderen verplicht een x aantal dagen op de
kinderopvang te plaatsen, zodat er intensief
zicht op hun ontwikkeling kan worden
gehouden. Natuurlijk brengt dat kosten met
zich mee, maar dat geldt ook voor een
uithuisplaatsing waar een eigen bijdrage van
ouders voor geldt. Bijkomend voordeel is dat
een bijdrage wordt geleverd aan het
verminderen van de wachtlijsten bij de
instellingen voor Jeugd- en Opvoedhulp. Als
klap op de vuurpijl zal deze
professionalisering van de kinderopvang de
kans op nieuwe zedenzaken ook aanzienlijk
verminderen. Alle reden dus voor gemeenten
om deze samenwerking tussen kinderopvang en
jeugdzorg te stimuleren. Vandaar dat ik
Burgemeester van der Laan en wethouder
Asscher al heb geadviseerd om de
samenwerking tussen het Kabouterhuis en
Partou uit te breiden naar samenwerking met
alle kinderopvanginstellingen in Amsterdam
in de hoop dat de andere gemeenten in de
stadsregio Amsterdam snel zullen volgen. Zo
wordt het werk van mijn Bureau Jeugdzorg op
termijn weer een beetje meer overbodig. Wie
wil dat nou niet? Door Erik
Gerritsen • 08.07.11 • 10
reacties Mijn vijfde tip
aan de gemeenten als toekomstige
opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel
mogelijk overbodig te maken gaat over
het meer gebruik maken van de
bestaande mogelijkheden om plegers van
huiselijk geweld een huisverbod op te
leggen. De Rotterdamse wethouder jeugd
Hugo de Jonge lanceerde dit idee
recentelijk en ik ben het van harte
met hem eens. Op dit moment
wordt het huisverbod vooral ingezet
bij huiselijk geweld tussen volwassen
partners. Als er sprake is van ernstig
huiselijk geweld tegen kinderen dan
wordt veelal voor alle zekerheid
gekozen voor uithuisplaatsing van de
kinderen, terwijl dat eigenlijk de
omgekeerde wereld is. Als nu de
geweldpleger bij kindermishandeling
een huisverbod opgelegd krijgt, dan
kan de “afkoelings”periode van
maximaal 4 weken dat het huisverbod
mag duren benut worden om een goede
analyse van de situatie te maken en om
te bezien of er alsnog afspraken te
maken zijn met alle betrokkenen die de
veiligheid van het kind bij terugkeer
van de geweldpleger in het gezin
kunnen waarborgen. Ook bij vermoedens
van kindermishandeling kan een
tijdelijk huisverbod preventief worden
opgelegd. Uithuisplaatsing
van kinderen in verband met
kindermishandeling (ook als het kind
getuige is van huiselijk geweld tussen
partners is sprake van
kindermishandeling) zal zeker niet in
alle gevallen voorkomen kunnen worden.
Maar naar verwachting zal op zijn
minst in een deel van de gevallen de
situatie tijdens het huisverbod
voldoende kunnen worden
genormaliseerd, waarmee een altijd
traumatiserende uithuisplaatsing
voorkomen kan worden. De dreiging van
een uithuisplaatsing die tijdens het
huisverbod boven de markt blijft
hangen zal in een aantal gevallen een
prikkel vormen voor de ouders in
kwestie om snel mee te werken aan
maatregelen en behandeling gericht op
voorkoming van herhaling. Wellicht dat
de huiselijk geweldpleger zelfs wel
bereid is indien nodig vrijwillig wat
langer dan de vier weken termijn
elders te verblijven. In sommige
gevallen zal nog wel een
ondertoezichtstelling nodig zijn om te
zorgen voor extra toezicht vanuit
Bureau Jeugdzorg op het naleven van
gemaakte afspraken. Maar een
ondertoezichtstelling is nog altijd
minder ingrijpend voor een kind dan
een uithuisplaatsing. Bijkomend
voordeel is dat een gewone
ondertoezichtstelling goedkoper is dan
een ondertoezichtstelling met
uithuisplaatsing. Overigens is er geen enkele
reden om te wachten met het meer
gebruik maken van huisverboden tot aan
het moment dat de gemeenten
verantwoordelijk worden voor de
jeugdzorg. De bevoegdheid tot het
opleggen van een huisverbod berust bij
de Burgemeester. De gemeenten kunnen
er dus samen met de Bureaus Jeugdzorg
nu al mee aan de slag. Door Erik
Gerritsen • 21.07.11 • 4
reacties Door Erik Gerritsen • 25.07.11 • 9
reacties Mijn
zevende tip aan de gemeenten
als toekomstige
opdrachtgevers om jeugdzorg
zoveel mogelijk overbodig te
maken, gaat over het meer
samenwerken met in het kader
van de jeugdzorg niet
traditionele
netwerkpartners. Wat goed is
om te weten, is dat een
groot deel van de
problematiek van de zwaarste
doelgroep van
multiprobleemgezinnen in
principe niets met jeugdzorg
te maken heeft. Te kleine
woning, geen woning,
schulden, geen werk, geen
opleiding en inderdaad geen
partner. Pieter Winsemius
heeft het in dit verband
over de drie W’s: woning,
werk en 'wijf'. Wat ook
goed is om te weten, is dat
het weinig zin heeft om aan
complexere zaken als
gedrags- of psychiatrische
problemen (van zowel ouders
als kinderen) of aan het
verbeteren van
opvoedvaardigheden van
ouders te werken als een
aantal 'basics' niet op orde
zijn. Dure jeugdzorg- of
volwassen GGZ-trajecten zijn
weggegooid geld als die
'basics' niet op orde zijn.
Het is nu
éénmaal lastig
om ruimte in je hoofd vrij
te maken voor het ontvangen
van zorg als er acht
kinderen in een vierkamer
appartement rondrennen (en
dus maar veel naar op straat
vluchten), je niet weet hoe
je morgen eten op tafel moet
krijgen en huisuitzetting
wegens huurschuld permanent
op de loer ligt. Ook blijkt
dat veel probleemjongens
zich een stuk beter gaan
gedragen nadat ze een vast
vriendinnetje aan de haak
hebben geslagen. Je zou
zelfs kunnen zeggen dat het
ontbreken van een normaal
leven een broedplaats is
voor jeugdzorgproblematiek.
Gemeenten doen er dus
verstandig aan om de
samenwerking te zoeken met
woningbouwcorporaties. Die
hebben daar ook belang bij
als het gaat om het
voorkomen van overlast en
ontstaan van huurschulden,
De eigen sociale dienst
heeft vele sleutels in
handen als het gaat om
schuldsanering en toeleiding
naar werk. Samenwerking met
het onderwijs is van groot
belang als het gaat om het
realiseren van innovatie
leer/werktrajecten als de
stap naar werk ineens te
groot is. En is
het te ver gezocht om als
gemeente samenwerking te
zoeken met gerenommeerde
'datingsites'? Met een
speciaal plekje voor
risicojongeren op zoek naar
een partner? Als de
gemeenten als regisseur alle
partijen bij elkaar brengt
dan ontstaat een
interessante cocktail. 'Zit
je leven in een dip en ben
je op zoek naar een partner?
Wij helpen je bij het vinden
van een baan en een woning
en dan ben je een
aantrekkelijke partij op de
dating markt.' Surf naar
www.www.nl Er is vast
ook nog wel een TV-producent
te vinden die hier een
interessant format van kan
maken, bijvoorbeeld voor
alle locale TV-zenders.
'Risicojongere met grote
mond maar klein hartje zoekt
vrouw'. Ik hoor
de cynici onder ons al weer
denken, wie wil er nu
gekoppeld worden aan een
risicojongere? En wat als
risicojongens en
risicomeisjes massaal met
elkaar gaan trouwen? Leidt
dat niet juist tot heel veel
nieuwe
jeugdzorgcliëntjes? Is
hier geen sprake van een
verborgen agenda van een
jeugdzorgbestuurder om de
toekomst van zijn club
veilig te stellen? Nog los
van het feit dat anders de
kans ook groot is dat
jongens en meisjes uit de
sociale onderklasse elkaar
uiteindelijk vinden, berust
deze cynische reactie op een
groot misverstand. Alsof
jongeren die om wat voor
reden dan ook veel pech
hebben gehad in hun leven
niet in staat zouden zijn
hun leven weer op orde te
krijgen. Er zijn genoeg
mooie voorbeelden waarin,
met een beetje steun in de
rug net op het goede moment,
op het eerste gezicht
kansloze jongeren in staat
bleken hun leven weer op de
rails te krijgen. Het woord
zegt het al, het gaat om
risico’s niet om
onvermijdelijkheden. Het enige wat
gemeenten moeten doen is
uitgaan van een positief
mensbeeld en het organiseren
van de samenwerking. Leuk
toch? Door Erik Gerritsen • 04.08.11 • 18 reacties Natuurlijk
is het zo dat alleen
straffen bij jongeren
niet helpt. Wie dit
niet gelooft verwijs
ik naar alle
wetenschappelijk
onderzoek daarover
waarin dit overtuigend
wordt aangetoond. Bel
anders even met het
wetenschappelijke
onderzoeksinstituut
WODC van het
ministerie van
Veiligheid en
Justitie, toch een
onverdachte bron zou
ik zeggen. Tegelijkertijd
is het ook zo dat
vooral in de meest
complexe jeugdzorg,
waar sprake is van
gebrek aan motivatie
om mee te werken aan
zorg, van “niet willen
en niet kunnen” een
focus op zorg ook niet
werkt. Dat verwordt
dan al snel tot
“pappen en nathouden”
en “excellent zorg
mijden”. Het komt voor
sommigen wellicht als
een verrassing dat
vanuit de jeugdzorg
gepleit wordt voor
meer lik op stuk, maar
de basis voor
effectieve pedagogiek
is simpel. Het gaat om
liefde en structuur, om zorg en dwang, om “tough love”.
Daar hoort het stellen
van grenzen en het
opleggen van straf
wanneer die grenzen
worden overschreden
gewoon bij. Macht
zonder liefde is
ineffectieve
dictatuur. Liefde
zonder macht is
ineffectieve
verwaarlozing. In
het bijzonder voor
jongeren en nog meer
in het bijzonder voor
jongeren met een licht
verstandelijke
beperking, moet
daarbij wel beseft
worden dat het
opleggen van straf
alleen werkt als er
maar een zeer korte
tijd zit tussen het
overschrijden van
grenzen en het
opleggen van straf.
Lik op stuk dus. Dan
heb ik het over weken
(of liever nog dagen)
en niet over maanden.
En daar wringt hem nu
net de schoen. Het
hele justitiële
systeem, van
vaststellen en
bewijzen van strafbare
feiten tot en met de
uitvoering van de
straf, slaagt er
namelijk al decennia
niet in om
doorlooptijden te
realiseren in termen
van maximaal enkele
weken. De doorlooptijd
in de justitiële
jeugdketen betreft
veelal een kwestie van
vele maanden en soms
nog langer. Ik
ben persoonlijk
meerdere malen getuige
geweest van
rechtszaken ten
aanzien van
schoolverzuim tot aan
straatroof, die gingen
over een delict dat
vele maanden daarvoor
was gepleegd. De
jongeren in kwestie
(die veelal meerdere
rechtszaken hadden
lopen) hadden vaak
geen idee voor welke
zaak ze voor de
rechter stonden. Kwam
een jongere niet
opdagen dan werd de
rechtzaak met het
grootste gemak weer
over vier maanden op
de rol gezet. In dit
soort situaties kun je
een positief
gedragseffect van
straffen wel op je
buik schrijven.
Sterker nog, veel
jongeren worden steeds
vaardiger in het
bespelen van het
jeugdstrafrechtsysteem.
Rekken, vertragen, in
beroep gaan, vlak voor
de rechtszaak met een
brief van een leraar
komen waaruit blijkt
dat het “net” zo goed
op school gaat en het
toch zonde zou zijn
als nu eerst een straf
moet worden
uitgediend. Rechters
komen in dit soort
gevallen vaak in de
verleiding om de
jongere dan nog maar
weer eens zijn
zoveelste laatste kans
te geven en de
jongeren weten dit.
Ironisch om te ervaren
hoe het
jeugdstrafrechtsysteem
zo een belangrijke
bijdrage levert aan
pappen en nathouden
waar je lik op stuk
zou verwachten. Dit
gebrek aan
daadwerkelijk lik op
stuk is juist voor de
werkers in de
jeugdzorg die niets
liever doen dan werken
op basis van “tough
love” een grote
frustratie. Dreigen
met straf is immers
weinig geloofwaardig
als de jongeren in
kwestie weet dat het
vele maanden en zelfs
jaren kan duren
voordat er
daadwerkelijk straf
wordt opgelegd en dat
er gedurende die lange
doorlooptijd nog vele
mogelijkheden zijn om
alsnog onder die straf
uit te komen. De
jeugdzorg wordt vaak
gezien als de softe
sector, maar in mijn
ervaring komt de
justitieketen eerder
voor deze titel in
aanmerking. Daar wordt
dus veel belastinggeld
verspild geredeneerd
vanuit het primaire
doel van het
jeugdstrafrecht, te
weten positieve
gedragsverandering. Gebrek
aan lik op stuk leidt
ook tot perverse
effecten in de
jeugdzorg. Als je
bijvoorbeeld als
jeugdreclasseerder
weet dat een
terugmelding naar de
rechter (bij
overtreding van de
jongeren van zijn
reclasseringsvoorwaarden)
leidt tot een
rechtszaak over negen
maanden, een periode
waarin de jongeren in
kwestie veelal niet
meer zal meewerken met
de jeugdreclasseerder
en een grote kans
loopt om verder af te
glijden, dan kom je
snel in de verleiding
om de terugmelding uit
te stellen en het nog
maar een keer met de
jongere te proberen. De
focus die het huidige
kabinet lijkt te
leggen op hogere
straffen voor zwaar
criminele jongeren is
wellicht uit oogpunt
van vergelding te
verdedigen, maar als
ik het voor het zeggen
had, zou ik eerst al
mijn energie richten
op het daadwerkelijk
realiseren van lik op
stuk. Hogere pakkans
door de politie, de
mogelijkheid tot
versnelde afdoening
via het Openbaar
Ministerie binnen
enkele weken en voor
de resterende zaken
binnen twee maanden
voor de rechter door
de logistiek in de
werkprocessen van de
justitieketen
ingrijpend te
stroomlijnen. Ik
ben er van overtuigd
dat een vergrote
handelingssnelheid in
de justitieketen zich
snel zal rond praten
onder de jongeren in
kwestie, onder andere
via de onder jongeren
populaire sociale
media. Veel meer
jongeren dan nu zullen
eieren kiezen voor hun
geld en gaan meewerken
met jeugdzorg. Met als
resultaat minder
belasting van het
justitie apparaat,
minder recidive en het
voorkomen van onnodige
verergering van
jeugdzorgproblematiek. In
dit verband verdient
de Burgemeester van
Amsterdam Eberhard van
der Laan alle steun
met zijn top 600
aanpak die gelukkig
ook niet beperkt
blijft tot de top 600
zwaarste jonge
criminelen, maar zich
ook uitstrekt tot hun
jongere broertjes en
zusjes die vaak ook al
in opleiding zijn voor
een criminele
carrière. De
kern van de top 600
aanpak is immers
gericht op het
vergroten van de
handelingssnelheid in
de justitieketen, op
meer lik op stuk.
Sneller toepassen van
dwang zal ook de in te
zetten (jeugd)zorg
effectiever maken en
het beroep op dure
jeugdzorg doen
verminderen. Van der Laan
laat zien dat een
gemeente het voortouw
kan nemen in het
realiseren van lik op
stuk beleid door
daarover harde
afspraken te maken met
de lokale
justitiepartners en
het ministerie van
Veiligheid en
Justitie. Dat ook de
verschillende
jeugdzorgorganisaties
van harte meedoen mag
niemand verbazen. Een
“tough love” aanpak
werkt immers alleen
goed en geloofwaardig
als de stok ook
letterlijk achter de
deur staat in plaats
van dat die in geen
velden of wegen te
bekennen is. Door Erik
Gerritsen • 11.08.11 • 4 reacties Dat
besturingsmodel
is bij uitstek
ongeschikt om
ongetemde
problemen als
die van de
jeugdzorg te
lijf te gaan,
omdat de
ingewikkelde en
weerbarstige
werkelijkheid
zich niet in
simplistische
beleidslogica
laat vangen.
Probeer je dat
toch, dan wordt
je als overheid
uiteindelijk
uitgerookt en
uitgewoond door
het bestaande
systeem met zijn
zeer krachtige
domeinbelangen
en
uitéénlopende
percepties van
de
werkelijkheid.
Begrijp me niet
verkeerd, het
gaat hierbij wat
mij betreft om
legitieme
deelbelangen en
een rijkdom aan
verschillende
percepties over
de aard van de
problemen en
oplossingsrichtingen.
Maar omdat je
als overheid
simpelweg niet
de macht hebt om
je wil op te
leggen aan de
vele bij de
jeugdzorg
betrokken
actoren, leidt
het aangaan van
een machtsstrijd
met de bestaande
instituties
simpelweg tot
institutionele
verlamming. Wat
overheden dan
veelal uit
wanhoop en
behoefte aan
eenvoud en
spierballen
tonen doen is
zich vergrijpen
aan de volgende
disfunctionele
reorganisatie
die veel geld
kost en niets
oplost. Zo ook
ten aanzien van
de jeugdzorg die
de afgelopen
tientallen jaren
behoorlijk kapot
is
gereorganiseerd.
[1] Ben je
dan als overheid
machteloos?
Geenszins,
zolang je de
sterke neiging
om puur top down
te werken maar
kunt weerstaan.
Besturen met de
pink betekent
dat je al die
onvermijdelijk
(of je dat nu
leuk vindt of
niet) bij de
jeugdzorg
betrokken
uitvoeringsorganisaties voor je
laat werken. Dat
je de positieve
energie die in
de uitvoering
wel degelijk
aanwezig is als
overheid
letterlijk
ontketent en de
domeinbelangen
en
deelpercepties
productief
maakt. Dat vergt
wel een forse
omslag in
denken.
Bijvoorbeeld dat
“it takes a
network to fight
a network” en
dat complexe
problemen
complexe
oplossingen
vergen. Dat het
in beginsel een
uitkomst is dat
je al die
verschillende
uitvoeringsorganisaties
tot je
beschikking
hebt, omdat ze
allemaal een
deel van de
oplossing in
handen hebben.
Dat je dus
vooral de
samenwerking
goed moet
faciliteren. Hoe maak
je als overheid
van complexiteit
iets productiefs
in plaats van
dat complexiteit
verzandt in
weerbarstigheid?
Hoe doe je dat
“besturen met de
pink” dan
concreet? Dat is
eigenlijk niet
eens zo
moeilijk. Je
pakt gewoon de
regie door
gebruik te maken
van je “capacity
to convene”. De
Burgemeester of
een wethouder
roept rondom een
bepaald probleem
(bijvoorbeeld
overlastgevende
multiprobleemgezinnen)
gewoon de
bestuurders van
alle betrokken
organisaties bij
elkaar en laat
deze
bestuurlijke
tafel
hoogfrequent net
zo lang bij
elkaar komen
totdat het
probleem is
opgelost. De
oplossingen
worden op de
werkvloer door
samenwerkende
frontlijnprofessionals
bedacht en
knelpunten
worden via een
escalatieprocedure
desnoods op het
hoogste niveau
van de
bestuurlijke
tafel beslecht.
Klein beginnen,
op basis van
concrete
casuïstiek,
helpt om het
probleem
letterlijk een
gezicht te geven
en om te
voorkomen dat
men collectief
blijft
wegkijken. Op
deze manier
gerealiseerde
proeftuinsuccessen
kunnen
vervolgens
breder worden
ingerold,
waarbij steeds
weer nieuwe
groepen van
samenwerkende
frontlijnprofessionals
in staat worden
gesteld om hun
eigen leerproces
door te maken.
Inderdaad, het
wiel moet steeds
weer opnieuw
worden
uitgevonden om
verbeteringen
duurzaam in de
genetische plaat
van elke
deelnemer te
branden. Het enige
dat de overheid
hoeft te doen is
zorgen voor
koffie, een
zaaltje, een
goede
voorzitter,
hoogfrequente
ontmoetingen,
een
escalatieprocedure,
soms wat “seed
money” en een
leerplatform
voor alle
samenwerkende
frontlijnprofessionals.
Op deze manier
worden de
verschillende
organisaties als
het ware
losgeweekt uit
hun
domeinbelangen
en
deelpercepties
en groeien ze
toe naar een
gemeenschappelijke
aanpak waarin
het oplossen van
het probleem
centraal staat
waaraan iedereen
zijn unieke en
onmisbare
bijdrage levert.
Wie meer wil
weten over hoe
dit in zijn werk
gaat verwijs ik
naar de
casusonderzoeken
uit mijn
conceptproefschrift
te raadplegen opwww.deslimmegemeente.nl. De
stelselwijziging
in de jeugdzorg
die in aantocht
is regelt op
systeemniveau
alles wat nodig
is om de
gemeenten als
toekomstige
opdrachtgever in
de positie te
brengen om dit
“besturen met de
pink” ook
mogelijk te
maken.
Één
bestuurslaag
verantwoordelijk,
één
gebundelde
doeluitkering en
een beperkt
aantal
kwaliteitseisen.
Meer moet de
rijksoverheid
overigens ook
niet doen. Ook
dat is besturen
met de pink maar
dan op landelijk
niveau.
Systeemvoorwaarden
regelen en er
verder met je
handen vanaf
blijven en het
aan de gemeenten
overlaten, in
plaats van via
de achterdeur
toch weer dingen
top down willen
dichtregelen. Besturen
met de pink is
niet alleen een
manier om de
samenwerkingsproblemen
ten aanzien van
de “usual
suspects” in de
jeugdzorg zoals
de jeugd- en
opvoedhulp,
jeugdpsychiatrie,
instellingen
voor licht
verstandelijk
beperkte
kinderen, Bureau
Jeugdzorg,
Centra voor
Jeugd en Gezin,
GGD, scholen,
Raad voor de
Kinderbescherming,
Rechtbank,
Openbaar
Ministerie en
Politie aan te
pakken. Besturen
met de pink is
ook de manier om
nieuwe
onorthodoxe
samenwerkingsverbanden
aan te gaan met
de
volwassenenpsychiatrie
(75% van de
jeugdzorgproblemen
wordt
veroorzaakt door
problemen van de
ouders),
woningbouwcorporaties
(veel
jeugdzorgproblematiek
wordt
veroorzaakt door
gebrek aan of te
kleine
woonruimte,
woningbouwcorporaties
beschikken over
eigen
maatschappelijk
werkers,
buurtconciërges
en
schuldhulpverleners),
maatschappelijk
werk,
jongerenwerk,
thuiszorg,
kinderopvang en
niet te vergeten
gemeentelijke
diensten als de
sociale dienst
en de afdeling
“WMO”. Al deze
instellingen
beschikken over
frontlijnprofessionals
die ook in de
gezinnen komen
met
jeugdzorgproblematiek.
Als je die als
gemeente beter
aan het
samenwerken
krijgt dan maken
vele handen het
werk echt
lichter en je
bent er eerder
bij zodat
onnodig beroep
op de dure
jeugdzorg
voorkomen wordt.
Dan kan er fors
meer
maatschappelijke
waarde worden
gerealiseerd
voor fors minder
geld. De bal
ligt voor
gemeenten voor
het intikken.
Daarbij is wel
tot slot van
belang om te
beseffen dat
voor succesvol
besturen met de
pink twee zaken
essentieel zijn.
Ten eerste de al
genoemde
“mindshift”
waarin men het
aandurft om
uitvoeringsgericht
te gaan werken
en afscheid
neemt van de
dominante
beleidslogica.
Ten tweede
bestuurders en
ambtenaren die
beschikken over
competenties op
het terrein van
netwerkmanagement
en
verandermanagement.
Daar moet nog
wel een stevige
slag gemaakt
worden. [1]
Zie voor een
uitgebreide
toelichting mijn
artikel “De
jeugdzorg: van
reorganiseren
naar
uitvoeringsgericht
werken, in
Voorbij de
crisis: een
nieuwe tijd
vereist een
nieuwe overheid,
R. Fraanje en J.
van de Knaap
(red), 2010,
Amsterdam (Van
Gennep). Door Erik
Gerritsen • 17.08.11 • 29 reacties De
huidige
gezinsmanagers
werkzaam bij
de Bureaus
Jeugdzorg
maken met
toenemend
succes een
einde aan het
gebrek aan
samenwerking
tussen de
verschillende
professionals
op de
werkvloer en
de niet
effectieve
kindgerichte
aanpak van de
jeugdzorg
“oude stijl”.
Ze staan met
één
been in het
hele gezin,
werken dus
gezinsgericht
(alleen dat is
effectief) en
met
één
been in het
uitvoerdersoverleg
als
voorzitter/regisseur.
Ze zijn
vrijwillige
jeugdhulpverlener,
jeugdbeschermer
en
jeugdreclasseerder
in
één,
zodat ze alle
kinderen in
het gezin
kunnen
bedienen en
ook in het
gezin kunnen
blijven als er
van kader
(gedwongen/vrijwillig)
wordt
veranderd. Zeer
belangrijk
voor het
realiseren van
continuïteit
in de
hulpverleningsrelatie.
Ze zijn niet
de baas, maar
omdat ze
beschikken
over de
bevoegdheid om
te escaleren
bij verschil
van mening of
onvoldoende
samenwerken,
beschikken ze
“de facto”
over
doorzettingsmacht.
Hierdoor
kunnen ze een
éénduidige
manier van
werken
realiseren en
wordt de
vicieuze
cirkel van
langs elkaar
heen werkende
instanties die
het
zorgmijdende
gedrag van
jeugdzorgcliënten
aanjagen
doorbroken.
Cliënten
die ook steeds
vaardiger
worden in het
tegen elkaar
uitspelen van
de
verschillende
instanties
(jeugdzorg als
“academie voor
excellent
zorgmijderschap),
maar
tegelijkertijd
ook steeds
meer het
vertrouwen in
de jeugdzorg
verliezen. Het
doorbreken van
deze vicieuze
cirkel heeft
als
belangrijkste
resultaat, dat
er een einde
komt aan de
bekende
situaties
waarin sprake
is van
jarenlange in
en
uitvliegende,
niet op elkaar
afgestemde en
daardoor
weinig
effectieve
jeugdzorginterventies. Door Erik
Gerritsen • 23.08.11 • 34 reacties Door Erik
Gerritsen • 02.09.11
Maak jeugdzorg overbodig; tip 2. Meer
Eigen Kracht Conferenties
“De ouders zijn van machteloos veel krachtiger geworden”
Maak jeugdzorg
overbodig; tip 3. ‘Leve het voorveld’
Maak jeugdzorg overbodig;
tip 4. Slimmer samenwerken met kinderopvang
Maak
jeugdzorg overbodig; tip 5, “Meer
huisverboden, minder uithuisplaatsingen”
Maak jeugdzorg
overbodig; tip 6, “Gebruik passie
als alternatieve drang en dwang”
Bij restaurant The Colour Kitchen
zie ik hoe jongeren “met een
vlekje” die anders een grote kans
lopen om verkeerd terecht te
komen, met veel enthousiasme
ervaring opdoen als kok, barman of
ober. Werken in een echt
restaurant waarin je uitstekend
kunt eten werkt motiverend voor de
jongeren. Wat ook motiverend werkt
is, dat je niet hoeft terug te
komen als je regelmatig te laat
komt of de kantjes er van af
loopt. Een kwestie van respect.
Bij de kleine particuliere
kunstacademie “Mixed Academy”
wordt met succes
geëxperimenteerd met het
bieden van een combinatie van
kunstonderwijs en regulier
onderwijs. Je mag een paar dagen
in de week zoveel tekenen,
schilderen of digitaal ontwerpen
als je wilt, zolang je er ook maar
voor zorgt dat je ook je reguliere
onderwijsvakken goed bijhoudt.
Bij de Stichting Team Stages
voeren teams van MBO/HBO jongeren
serieuze betaalde opdrachten uit
voor een range aan bedrijven en
maatschappelijke organisaties. De
uitval van onder deze jongeren is
lager en de
competentieontwikkeling is hoger.
In het klein zijn er nog veel meer
initiatieven waarbij passie van
kinderen en jongeren gekoppeld
wordt aan het hen motiveren om een
succes te maken van hun leven. De
mogelijkheden zijn legio. Elk kind
of jongere heeft één
of meer passies. Ook de kinderen
en jongeren die in de knel zitten
en niet direct gemotiveerd zijn om
zelf wat aan hun ellendige
situatie te doen. Denk aan sport,
kunst, muziek, toneel, mode of
computers. De gemeenten zijn bij
uitstek in de positie om deze
“wereld van passies” in te zetten
als middel om kwetsbare kinderen
in de knel te motiveren mee te
werken aan de noodzakelijke
hulpverlening. Een kwestie van het
organiseren van de samenwerking
met de betreffende verenigingen en
stichtingen. Een kwestie van
uitgaan de kracht van kinderen en
jongeren in plaats van hun
problemen.
Met als prettig bijeffect dat de
dure jeugdzorg weer een stukje
meer overbodig wordt.
Maak jeugdzorg
overbodig; tip 7, 'Woning,
Werk, Wijf'
Maak
jeugdzorg overbodig, tip
8: Veel meer lik op
stuk'
Maak
jeugdzorg
overbodig; tip 9:
'Besturen met de
pink'
Maak
jeugdzorg
overbodig; tip
10,
'Gezinsmanagement'
Niet
onbelangrijke
bijvangst is
dat invoering
van
gezinsmanagement
op termijn
leidt tot het
realiseren van
een lagere
“caseload”,
terwijl men
meer kinderen
bedient. Het
is nu
éénmaal
minder
belastend om
30 kinderen
van 5 gezinnen
in je
“caseload” te
hebben dan 15
kinderen van
15 gezinnen.
Om dit te
realiseren
moet nog wel
even de
huidige
kindgerichte
manier van
financieren
worden
aangepast,
maar dat
terzijde.
Gezinsmanagement
bij de Bureaus
Jeugdzorg is
in eerste
instantie
ontwikkeld
voor de meest
complexe
(overlastgevende)
multiprobleemgezinnen.
Maar inmiddels
is duidelijk
dat
gezinsmanagement
gewoon de
beste manier
is om de
kerntaken van
Bureau
Jeugdzorg uit
te voeren voor
alle onder
haar
verantwoordelijkheid
vallende
gezinnen.
Vandaar dat er
een beweging
gaande is naar
integrale
invoering van
gezinsmanagement.
Daar gaan de
gemeenten als
toekomstige
opdrachtgevers
de vruchten
van plukken,
omdat
gezinsmanagement
in het
(vrijwillig)
gedwongen
kader onnodig
beroep op dure
jeugdzorg
voorkomt.
Vanwege de
eerste
positieve
ervaringen
pleit alles er
voor dat de
gemeenten
gezinsmanagement
ook invoeren
voor die
gezinnen die
weliswaar al
veel problemen
hebben, maar
waar nog geen
sprake is van
“niet
willen/niet
kunnen”.
Eerder stevig
gecoördineerd
acteren door
gezinsmanagers
van
bijvoorbeeld
de GGD of de
sociale
dienst, kan in
een aantal
gevallen
voorkomen dat
gezinnen
afglijden naar
een situatie
dat de veilige
ontwikkeling
van de
kinderen in
het geding
komt.
Belangrijk
voor de
bredere
invoering van
gezinsmanagement
is dat de
functie
gepositioneerd
wordt als
“verlengde
overheid”. Het
is geen
functie die je
moet
uitbesteden
aan
jeugdzorgaanbieders,
om dat dan de
kat te veel op
het spek wordt
gebonden. De
gezinsmanager
moet er mede
namens de
gemeente voor
zorgen dat er
effectief met
het
jeugdzorggeld
wordt
omgesprongen
en moet
voorkomen dat
er
aanbodgericht
jeugdzorg
wordt
aangeboden. De
gezinsmanager
heeft als
enige focus
wat het beste
en
effectiefste
is voor het
gezin, terwijl
alle andere
spelers
daarnaast ook
andere
(omzet)belangen
hebben. Het is
dus van belang
om die functie
als gemeente
in eigen hand
te houden.
Omdat de
gezinsmanager
permanent
zicht houdt op
de
effectiviteit
van de geboden
jeugdzorg in
het gezin,
blijf je, bij
afschaffing
van de
indicatiestelling,
als gemeente
beschikken
over een
alternatief en
veel goedkoper
instrument op
de kosten te
beheersen. De
functie van
gezinsmanager
is zo ook
behulpzaam bij
de omslag van
georganiseerd
wantrouwen
naar
georganiseerd
vertrouwen. De
jeugdzorginstellingen
worden weer
vertrouwd ten
aanzien van
het zelf
bepalen welke
zorg het meest
passend is,
maar weten wel
dat ze dit
vertrouwen
moeten waar
maken in de
ogen van de
gezinsmanager,
die anders
richting zijn
opdrachtgever,
de gemeente
zal aangeven
dat het
betreffende
jeugdzorgaanbod
tekortschiet.
De vormgeving
van
gezinsmanagement
ontwikkelt
zich nog
steeds verder.
Interessant is
bijvoorbeeld
de
ontwikkeling
waarin
gezinsmanagers
steeds meer
buurtgericht
gaan werken.
Door de
ontwikkeling
naar
professioneel
generalist
wordt het
mogelijk om
flexibel en op
maat aan te
sluiten bij de
vele
buurtspecifieke
samenwerkingsbiotopen.
Een tweede
interessante
ontwikkeling
is, dat
gezinsmanagers
het
uitvoerdersoverleg
laten
plaatsvinden
in
aanwezigheid
van het hele
gezin. Niet
meer praten
over, maar
praten met het
gezin. En
waarom niet
ook met het
sociale
netwerk erbij
dat is
ontstaan naar
aanleiding van
een Eigen
Kracht
Conferentie?
Dat zijn
inderdaad heel
veel spelers
om de tafel,
maar de eerste
ervaringen
zijn positief.
Besturen met
de pink (zie
mijn vorige
column) op
werkvloerniveau.
Het mag geen
verbazing
wekken dat een
goede
gezinsmanager
over niet
minder dan
excellente
professionele
vaardigheden
moet
beschikken. De
ontwikkeling
van
gezinsmanagement
gaat de goede
kant op, maar
het is een
proces van
vallen en
opstaan en we
zijn er zeker
nog niet.
Eerste
ervaringen
geven aan dat
het mogelijk
is om
medewerkers op
te leiden tot
het vereiste
niveau. Maar
het is wel een
proces van
lange adem
gezien de hoge
eisen die aan
een
gezinsmanager
worden
gesteld.
Durven
escaleren,
uitvoeringspartners
aanspreken op
hun
leverplicht,
gezaghebbend
overeind
blijven in de
meest complexe
situaties met
al die
verschillende
belangen van
gezinsleden en
uitvoeringsinstellingen,
het is geen
klein bier,
waar nog
dagelijks mee
wordt
geworsteld.
En ja dat
vergt dus fors
investeren in
de
professionalisering
van de
gezinsmanagers,
maar dat is
“peanuts” in
vergelijking
met de
besparingen op
onnodig dure
jeugdzorg die
met
gezinsmanagement
kunnen worden
gerealiseerd
en die in het
nieuwe stelsel
ten gunste
komen van de
gemeenten. Die
maatschappelijke
businesscase
kan iedere
gemeente
maken, want
“if you pay
peanuts, you
get monkeys”.
Maak
jeugdzorg
overbodig; tip
11, 'Families
helpen
families'
Natuurlijk is
dit niet de
oplossing voor
alle
jeugdzorgkwalen
en voor zware
problematiek
zal nog steeds
de inzet van
professionele
jeugdzorg
nodig blijven.
Maar de
ervaringen in
Australië
duiden op een
positief
effect op het
voorkomen van
onnodig dure
jeugdzorg.
Wellicht dat
in navolging
van de
stichting
Eigen Kracht
Centrale in
Nederland een
vergelijkbaar
particulier
initiatief zal
ontstaan voor
“Families
helpen
Families”.
Maar wat let
de gemeenten
om het
oprichten van
zo’n stichting
een eerste
impuls te
geven?
Ongetwijfeld
zullen er in
alle gemeenten
veel gezinnen
te vinden zijn
voor wie het
zijn van “full
time”
pleeggezin een
brug te ver
is, maar die
van harte
bereid zijn om
een gezin dat
tijdelijk in
de knel zit
een steuntje
in de rug te
geven.
Maak
jeugdzorg
overbodig, tip
12: begin nu!
Maar waarom,
bij zo'n
unieke
politieke
consensus en
de historische
kans om een
einde te maken
aan tientallen
jaren
kapotreorganiseren
van de
jeugdzorg,
wachten, als
het merendeel
van het
gedachtegoed
achter de
stelselherziening
ook nu al in
de praktijk
kan worden
uitgeprobeerd?
Zonder
wettelijk
kader moet dat
nog
grotendeels op
basis van
vrijwillige
samenwerking
gebeuren, maar
mogelijk is
het wel. Het
voordeel van
experimenteren
is ook dat de
meeste
elementen van
de
stelselwijziging
kunnen worden
uitgetest in
de vorm van
een ex ante
praktijkuitvoeringstoets.
De
leereffecten
van die
experimenten
kunnen
vervolgens
worden
meegenomen om
de
uiteindelijke
wetgeving
volledig
uitvoeringsproof
te maken. De
praktijk laten
spreken noem
ik dat.
Voordeel is
ook dat veel
voordelen van
het nieuwe
jeugdzorgstelsel
veel eerder
kunnen worden
gerealiseerd
en dat is goed
nieuws voor de
meest
kwetsbare
burgers van
ons land.
Kortom, mijn
advies aan
gemeenten is
om gewoon
vandaag te
beginnen.
In de
Stadsregio
Amsterdam zijn
we hier al een
tijdje geleden
mee gestart,
deels zelfs al
voor dat de
parlementaire
werkgroep
Jeugdzorg haar
belangrijke
rapport
uitbracht en
de
stelselwijziging
in het
regeerakkoord
van het
kabinet Rutte
werd
aangekondigd.
Zo is het
concept van
gezinsmanagement
(zie tip 10)
met succes
uitgeprobeerd
en verder
ontwikkeld in
het kader van
de aanpak van
(overlastgevende)
multiprobleemgezinnen
en wordt nu
gewerkt aan
bredere
invoering. Zo
is de
bureaucratische
indicatiestelling
in stappen
vereenvoudigd.
Eerst is de
indicatietermijn
standaard op
twee jaar
gesteld.
Vervolgens is
een aantal
lichte
jeugdzorgtrajecten
indicatievrij
gemaakt (men
hoeft niet
meer via
Bureau
Jeugdzorg). Op
dit moment
wordt
geëxperimenteerd
met
decentralisatie
van
vrijwillige
geïndiceerde
jeugdzorg voor
de doelgroep
“willen en
kunnen” naar
de gemeenten,
onder
gelijktijdige
vervanging van
de
bureauratische
indicatiestelling
door
eenvoudige
verwijzing.
Ook daar zit
Bureau
Jeugdzorg niet
meer tussen.
En sinds 1
juli is ook de
indicatiestelling
voor de
complexe
jeugdzorg (met
uitzondering
van de
gesloten
jeugdzorg)
voor de
doelgroep
“niet
willen/niet
kunnen” op
proef
vervangen door
een veel
eenvoudiger
systeem van
verwijzing
door Bureau
Jeugdzorg naar
jeugdzorginstellingen.
Door het
wettelijk
voorgeschreven
Plan van
Aanpak tevens
als
indicatiebesluit
te hanteren
wordt ook
gewoon binnen
de wettelijke
kaders
gewerkt.
Nergens staat
voorgeschreven
dat het
indicatiebesluit
een apart
document moet
zijn.
Ook wordt
geëxperimenteerd
met het werken
met veel
minder
verschillende
documenten. In
plaats van per
kind aparte
documenten
één
rapportage per
gezin, dat als
“levend”
basisdocument
het bijhouden
van aparte
uitgebreide
contactjournaals
overbodig
maakt en als
bron dient om
andere
documenten,
zoals
bijvoorbeeld
de aanvraag
voor een
ondertoezichtstelling,
vrijwel
automatisch
uit te
genereren.
Nergens staat
wettelijk
voorgeschreven
dat er met
zoveel
verschillende
documenten
moet worden
gewerkt.
Het gaat om
organisatie
interne
regeleving die
dus ook door
jeugdzorgorganistaties
zelf kan
worden
aangepast. Het
werken met
gebundelde
doeluitkeringen
wordt
gesimuleerd
door de
Stadregio en
de
Zorgverzekeraars
als inkopers
van jeugdzorg
gezamenlijk te
laten
optrekken. Tot
slot wordt in
overleg met de
Ministeries
van VWS en
VenJ gewerkt
aan het
opstellen van
maatschappelijke
businesscases
gericht op het
al met ingang
van 2012
doorbreken van
de nu nog
verlammende
kosten-batenterreur
(investeringen
in het ene
jeugdzorgsegment
komen niet tot
stand omdat de
daarmee te
realiseren
besparingen –
hoe omvangrijk
ook – in een
ander
jeugdzorgsegment
vallen).
Maar hier
hoeft het niet
bij te
blijven.
Gemeenten
kunnen de
komende
maanden al
bepalen op
welke schaal
ze als
inkoopcombinatie
willen gaan
samenwerken
voor die delen
van de
jeugdzorg
waarvoor dat
in verband met
schaaleffecten
verstandig is.
Om vervolgens
met de
Provincies en
Stadsregio's
afspraken te
maken om
alvast te gaan
schaduwdraaien
de komende
jaren. En het
verdient zeer
de aanbeveling
om in overleg
met de
jeugdzorginstellingen
snel te
starten met
professionaliseringsprogramma's.
Want
uiteindelijk
staat of valt
het succes van
de
stelselherziening
met de
kwaliteit van
de
frontlijnprofessionals
die het echte
werk moeten
doen.
Het verdient
tot slot ook
nadrukkelijk
aanbeveling om
zo snel
mogelijk te
gaan
experimenteren
met de
gelijktijdige
decentralisatie
van de
vrijwillige en
de gedwongen
jeugdzorg. In
het
regeerakkoord
zijn deze twee
trajecten
gesplitst en
dat is een
grove
weeffout,
omdat de
splitsing
volledig haaks
staat op de
filosofie
achter de
stelselwijziging.
De gedwongen
jeugdzorg een
aantal jaren
later
decentraliseren
zou de
gemeenten de
belangrijkste
schakel om de
kosten van de
totale
jeugdzorg te
verminderen te
lang
onthouden.
Door ook dit
element mee te
nemen in de
experimenten
wordt deze
grove weeffout
direct
onschadelijk
gemaakt.
Experimenteren
is grotendeels
een kwestie
van de ruimte
daarvoor nemen
door
gemeenten.
Maar deels
moeten de
gemeenten
daarvoor ook
de ruimte
krijgen van
Provincies/Stadsregio's
en de
Rijksoverheid.
Er komt een
landelijke tri
partite regie
(Rijksoverheid,
IPO, VNG,
brancheorganisaties)
die het grote
risico met
zich meedraagt
dat via de
achterdeur
toch weer van
alles wordt
gecentraliseerd
en
geuniformeerd
richting
“laagste
gemene deler”,
terwijl er
juist ruimte
voor verschil
en maatwerk
moet zijn. De
grootstedelijke
regio
Amsterdam is
nu eenmaal
anders dan
Friesland of
Limburg.
Met de
elementen van
overheveling
van alle
jeugdzorgtaken
naar een
bestuurslaag
in combinatie
met
één
doeluitkering
voor alle
jeugdzorg
wordt op
landelijk
niveau
feitelijk
alles geregeld
wat daar
geregeld moet
worden.
Daarmee zijn
er voor
gemeenten
voldoende
prikkels
gerealiseerd
om de beste
jeugdzorg te
realiseren
voor elke
gemeente. De
landelijke
regie zou zich
verder moeten
beperken tot
het
uitwisselen
van
leerervaringen,
bewaken van
het tijdpad en
het
gezaghebbend
oplossen van
conflicten
waar partijen
op regionaal
en
gemeentelijk
niveau niet
onderling
uitkomen.
Een
uitzondering
daarop betreft
het
gezamenlijk
vaststellen
van
kwaliteitseisen
en een systeem
om die
kwaliteitseisen
te handhaven.
Overigens
sluimert ook
hier het
risico dat een
bureaucratisch
kwaliteitssysteem
de facto leidt
tot
centralisatie
en nieuwe
bureaucratie
via de
achterdeur. De
manier om dit
risico te
voorkomen is
door landelijk
te werken aan
een nieuw niet
bureaucratisch
kwaliteitssysteem
dat zich
vooral
concentreert
op het
certificeren
van de
jeugdzorgprofessionals
in plaats van
op het
certificeren
van procedures
en
protocollen.
Dat kan dan
mooi worden
ingewoven in
het al lopende
landelijke
professionaliseringstraject
dat nu nog
veel te veel
is gericht op
tuchtrecht en
formalistische
functie eisen.
De vraag die
natuurlijk
opkomt na dit
alles is,
waarom de
stelselwijziging
eigenlijk nog
nodig is als
we alles
eigenlijk
morgen al
kunnen gaan
uitproberen?
Het antwoord
is simpel. De
bestaande
institutionele
belangen zijn
krachtig en
komen alleen
in beweging
met de formele
stelselwijziging
als stok
achter de
deur. Doordat
alle partijen
weten dat de
stelselwijziging
onvermijdelijk
op hun af komt
zullen ze met
meer of minder
enthousiasme
meewerken aan
en mee
anticiperen op
wat
onvermijdelijk
komen gaat.
Gewoon
beginnen maakt
blij van
zinnen. Want
wat is er
mooier dan
wanneer we
ergens in
2015/2016,
nadat alle
wetswijzigingen
door de Tweede
en Eerste
Kamer zijn
goedgekeurd,
kunnen
vaststellen
dat er slechts
sprake is van
de formele
afzegeging van
een reeds
bestaande
nieuwe
realiteit?