Maak jeugdzorg overbodig; tip 1, Leer ons kennen!

Door Erik Gerritsen  06.06.11  5 reacties

Erik Gerritsen
De verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg wordt overgeheveld naar de gemeenten en dat is een goede zaak. Voor een succesvolle transitie is het van belang dat gemeenten zich ontwikkelen tot deskundige opdrachtgevers.

Vandaar dat ik de komende tijd een aantal columns zal schrijven met tips vanuit de uitvoeringspraktijk. Als thema heb ik gekozen voor “Maak jeugdzorg overbodig”. Daarmee wil ik niet de indruk wekken dat dit een realistische ambitie is. Er zal altijd behoefte blijven aan jeugdzorg, zelfs in het meest excellent functionerende systeem. Maar het beroep op gespecialiseerde jeugdzorg kan wel fors worden teruggedrongen. Het thema “Maak jeugdzorg overbodig” is dan ook vooral gekozen vanuit het adagium: “als je op de sterren mikt dan bereik je tenminste de maan”.

 

Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat tips van een vertegenwoordiger van één van de bestaande jeugdzorginstituties met de nodige achterdocht zullen worden ontvangen. Zijn mijn tips niet gekleurd door institutionele belangen? Ik vind natuurlijk van niet, maar gezonde achterdocht is wat mij betreft prima. Vandaar dat mijn belangrijkste tip aan de gemeenten is “leer ons kennen”. Goed opdrachtgeverschap begint immers bij een stevige kennis van het werkveld waarvoor de gemeenten verantwoordelijk worden. Een deel van die kennis kan prima worden opgedaan door over de jeugdzorg te lezen en door inspiratiesessies bij te wonen. Maar je leert de jeugdzorg pas echt kennen door intensieve werkbezoeken en werkstages bij de verschillende instellingen. Door gesprekken met de professionals op de werkvloer en zo mogelijk door gesprekken met cliënten. Door je te verdiepen in de doelgroepen van de jeugdzorg, in individuele casuïstiek en door mee te lopen in het dagelijkse werk.

 

Dit lijkt op het eerste gezicht een zeer tijdsintensieve aangelegenheid, maar ik beloof u dat snel zal blijken dat deze investering de moeite waard is. Ondeskundig opdrachtgeverschap in de jeugdzorg is zowel financieel als voor de kwetsbare kinderen waar het uiteindelijk om draait een te groot risico om te nemen. Als we met zijn allen vinden dat uitvoeringslogica en leefwereld belangrijker zijn dan beleidslogica en systeemwereld, dan is het cruciaal dat de gemeentelijke opdrachtgevers, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau, zich de komende periode stevig gaan wentelen in de dagelijkse uitvoeringspraktijk van de jeugdzorg.

 

Het is natuurlijk heel verstandig om te luisteren naar de tips van een ervaringsdeskundige uit de jeugdzorg met stevige wortels in gemeenteland (ik was ooit gemeentesecretaris van Amsterdam). Het is nog verstandiger om de waarde van die tips zelf uitgebreid te checken. De beste manier om de jeugdzorg te leren kennen is door haar te ervaren. Dat is ook mijn persoonlijke ervaring. Ik dacht als gemeentesecretaris met een bijzondere interesse voor de uitvoering de jeugdzorg al aardig te kennen toen ik in 2009 aantrad als bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam. Maar ik heb het werk pas echt leren kennen toen ik de eerste zes weken intensief in alle teams meeliep en toen ik als voorzitter van cliëntenpanels in direct gesprek kwam met jongeren en hun ouders. En nog steeds heb ik vrijwel elke week wel ergens een contact met de uitvoering waarvan ik altijd weer iets opsteek.

 

Als de toekomstige opdrachtgevers de moeite nemen om de jeugdzorg echt te leren kennen, dan ben ik er van overtuigd dat ze de goede beslissingen zullen nemen ten aanzien van de toekomstige vormgeving van het onder hun verantwoordelijkheid vallende jeugdzorgstelsel. Dan zijn zelfs de tips die ik de komende tijd toch maar zal geven uiteindelijk overbodig.


Maak jeugdzorg overbodig; tip 2. Meer Eigen Kracht Conferenties

Door Erik Gerritsen  15.06.11  8 reacties

Erik Gerritsen
Mijn tweede tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken is om veel meer gebruik te maken van Eigen Kracht Conferenties.

In eerdere columns en blogs besteedde ik al uitgebreid aandacht aan het fenomeen van Eigen Kracht Conferenties (EKC’s). Dat ga ik hier niet over doen. Er lijkt zich ook zo langzamerhand een nationale consensus te ontwikkelen over het belang van zaken als meer aandacht besteden aan eigen kracht van mensen en hun sociale netwerken, het belang van een goede pedagogische “civil society” en het streven naar “herstel van het gewone leven” in plaats van het exporteren van jeugdzorgproblematiek naar gespecialiseerde jeugdzorgvoorzieningen. De Tweede Kamer nam onlangs nog een amendement aan op de Wet op de Jeugdzorg die gezinnen het recht geeft om een eigen plan te maken. Er is veel wetenschappelijk bewijs dat de inzet van EKC’s leidt tot minder en korter beroep op gespecialiseerde jeugdzorg.

 

Tegen deze achtergrond lijkt een pleidooi voor de inzet van meer Eigen Kracht Conferenties een overbodige tip. Toch is dat niet zo. Alleen in Overijssel en de Stadsregio Amsterdam wordt al op stevige schaal gebruik gemaakt van EKC’s. De stadsregio Amsterdam is met 300 EKC’s in 2010 en 600 geplande EKC’s in 2011 landelijk koploper. Maar als je die aantallen afzet tegen het totaal aantal kinderen dat in de stadsregio Amsterdam cliënt is bij Bureau Jeugdzorg (10.000) dan gaat het nog steeds om marginale aantallen, terwijl je alle kwetsbare gezinnen zo’n EKC zou gunnen. En dan hebben we het dus over een koploperregio.

 

Ondanks de evidente voordelen is de inzet van EKC’s nog lang geen vanzelfsprekendheid. Het vergt politieke lef om er in te investeren, terwijl de voordelen zich pas later uitbetalen. Het vergt ook een stevige “mindshift” bij jeugdzorginstituties en jeugdzorgprofessionals die moeten leren om “egoloos” te werken. De eigen professionaliteit dienend maken aan het eigenaarschap van de cliënten over het oplossen van hun eigen problemen is weliswaar het summum van professionaliteit, maar blijkt in de praktijk geen sinecure. En er is het misverstand dat EKC’s niet zouden werken bij de meest complexe gezinnen. Het tegendeel is waar. Hoe ingewikkelder de problemen, hoe meer effect kan worden bereikt met de inzet van EKC’s.

 

Er is voor de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers van de jeugdzorg dus nog een wereld te winnen. De ervaring in Overijssel en de Stadsregio Amsterdam leert dat politiek leiderschap van de verantwoordelijke politieke bestuurders een onmisbare rol speelt bij het promoten van EKC’s. Daarnaast is steun van bestuurders in de jeugdzorg en draagvlak onder professionals natuurlijk ook onontbeerlijk. Maar het begint bij politiek leiderschap.

 

Dus wethouders jeugdzorg, mijn tip aan u is om persoonlijk kennis te maken met het fenomeen van EKC’s en om te durven investeren in een brede inzet ervan. De Eigen Kracht Centrale en Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam brachten onlangs de publicatie “Werken met Eigen Kracht Conferenties in de jeugdzorg; ervaringen van professionals” uit. Geen verkooppraatjes maar prachtige en soms zelfs ontroerende verhalen vanuit de werkvloer. Als opwarmertje sluit ik af met een aantal citaten van mijn medewerkers.


“De ouders zijn van machteloos veel krachtiger geworden”

 

“Een plan dat gedragen wordt door alle gezinsleden”

 

“Alle afspraken lopen en ook de evaluaties voeren ze zelf uit”

 

“Ze deden alles zelf, alleen een woonurgentie aanvragen bleef over voor de professionals”

 

“Het is ook handig, daar ben ik eerlijk in”

 

“Als ze belt, zeg ik ” kijk eens op je briefje wie je daarbij helpt”

 

“De kinderen genoten echt van alle mensen die gekomen waren”

 

“Als iedereen merkt dat het goed gaat, is de kans groter dat ze het ook vasthouden”

 

“Ze hebben zonder mij na drie maanden geëvalueerd en de praktische zaken lopen goed”

 

“Ze maakte een omslag toen ze hoorde dat de familie zich ook zorgen maakte”


Maak jeugdzorg overbodig; tip 3. ‘Leve het voorveld’

Door Erik Gerritsen  22.06.11  4 reacties

Erik Gerritsen
Mijn derde tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken gaat over slim investeren in het “voorveld”. Ten eerste moet het natuurlijk verboden worden om nog langer te spreken van “voorveld”.

Het is immers een term die hoort bij het “jeugdzorgcentrisme” waar we afscheid van moeten nemen. Daarover lijkt inmiddels wel een – mijns inziens terechte – nationale consensus over te zijn ontstaan. Jeugdzorgproblematiek moet niet worden geëxporteerd naar speciale voorzieningen maar worden geïmporteerd naar het gewone leven. Herstel van het gewone leven moet het doel zijn. Niet het “voorveld” maar de “pedagogische civil society” moet een beroep op jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig maken.

 

De gemeente is de bestuurslaag bij uitstek om die “pedagogische civil society” te stimuleren. Een immense niet te onderschatten opgave die makkelijker gezegd is dan gedaan. Want als het makkelijk was dan waren gemeenten er in het kader van hun WMO-verantwoordelijkheid al eerder in geslaagd om een einde te maken aan het stijgende beroep op dure jeugdzorg. Dan waren de gemeenten al veel verder geweest in het vormgeven van de op zich prima ontwikkeling richting laagdrempelige Centra voor Jeugd en Gezin. Uit evaluaties blijkt dat vele gemeenten weliswaar gestart zijn met de invoering, maar nog stevig worstelen met vraagstukken van precieze vormgeving, uitbouw naar integrale dienstverlening van min negen maanden tot aan 23 jaar, voorkomen van nieuwe bureaucratie en het bevorderen van daadwerkelijke betere samenwerking tussen alle betrokken instanties.

 

Interessant voor gemeenten is dat juist ervaringen in het oplossen van bureaucratische en samenwerkingsknelpunten in de “hoogdrempelige” complexe jeugdzorg veel leerpunten opleveren voor het slim vormgeven van de “laagdrempelige” Centra voor jeugd en gezin. Zo is het bijvoorbeeld niet aan te raden CJG’s vorm te geven als nieuwe “kathedralen”. Er is op zich, vanuit “gebruiksgemak” en bevorderen van samenwerking, veel te zeggen voor het huisvesten van allerlei laagdrempelige voorzieningen in één gebouw. Maar huisvesting in één gebouw is nog geen garantie voor een goede dienstverlening. Alles onderbrengen in één nieuwe organisatie is dat ook niet. Waar het vooral om gaat is het realiseren van slimme verbindingen tussen verschillende organisaties die in een netwerk samenwerken. Een netwerk dat ook deels virtueel kan zijn, in plaats van volledig ondergebracht in één gebouw waarin je net zo makkelijk kunt verdwalen. Gemeenten zouden er dus verstandig aan doen zich te bekwamen in kunst van het netwerkmanagement. 

 

Goed netwerkmanagement betekent onder meer dat je de uitvoeringslogica en leefwereld laat domineren boven de beleidslogica en de systeemwereld. Dat betekent bijvoorbeeld dat je qua werkwijze zo veel mogelijk aansluit bij de plekken waar de kinderen veelvuldig te vinden zijn, zoals het gezin, de buurt, de consultatiebureaus en de scholen. Dat de professionals die met kinderen werken vooral op die plekken samen met ouders en kinderen werken aan het oplossen van problemen. Van groot belang daarbij is dat de (regie op de) samenwerking tussen betrokken professionals vooral op werkvloerniveau gestalte krijgt. Op basis van korte lijnen tussen elkaar persoonlijk kennende professionals die elkaar, met mandaat vanuit de moederorganisaties, snel weten te vinden (telefonisch of “face to face”) en kunnen handelen direct als het nodig is, in plaats alles op te sparen tot aan het eerstvolgende casusoverleg.

 

Veel problemen kunnen op deze manier in een vroegtijdig stadium worden ondervangen. Voor de meer complexe problemen verdient het aanbeveling om deze te bespreken in één lokaal gezinsoverleg onder regie van de gemeente in plaats van in de vele verschillende casuïstiek overleggen waarvan nu nog veelal sprake is. In die lappendeken aan casuïstiek overleggen worden vaak dezelfde kinderen besproken net vanuit een andere dominante invalshoek, zoals bijvoorbeeld in de veiligheidshuizen. Ook komt het veel voor dat kinderen uit hetzelfde problematische gezin afzonderlijk worden besproken in verschillende overleggen zonder zicht op de totale gezinssituatie. Dit alles is een recept voor collectieve machteloosheid, afschuifgedrag en niet effectief (want niet gezinsgericht) werken.

 

Wanneer in zo’n lokaal gezinsoverleg een goede gezinsgerichte analyse is gemaakt van de problematiek, verdient het aanbeveling om een gezinsmanager verantwoordelijk te maken voor de regie op de aanpak van de problemen van het hele gezin. Gezinsmanagement vanuit Bureaus Jeugdzorg is een effectieve werkwijze gebleken ten aanzien van de aanpak van multiprobleemgezinnen in het zwaardere dwang en drang kader. Dus waarom niet ook gezinsmanagement “light” inzetten op het moment dat de problemen nog niet stevig uit de hand gelopen zijn? Zo’n gezinsmanager ontleent zijn/haar effectiviteit vooral aan drie zaken. Doorzettingsmacht via de bevoegdheid om te escaleren (desnoods tot aan de burgemeester aan toe)  bij knelpunten en onvoldoende samenwerking op werkvloerniveau,  het vertrouwen dat ontstaat door het zijn van het vaste gezicht in het gezin en de professionele handelingsbekwaamheid om gezaghebbend en daadkrachtig te opereren in zowel het complexe gezin als in het complexe uitvoeringsveld.

 

Resteert de vraag waar de gemeente deze lichte vorm van gezinsmanagement moet positioneren. Mijn advies is om gezinsmanagement nadrukkelijk als kerntaak van de gemeente zelf te organiseren op uitvoerend niveau. Uitbesteden van deze overheidstaak aan een zorgaanbieder betekent immers dat de gezinsmanager in kwestie in een dubbelrol komt van regievoerder en zorgaanbieder. Daarmee zou de gemeente een cruciale functie om de jeugdzorg effectief en qua kosten beheersbaar te houden uit handen geven. Het verdient dan ook aanbeveling om deze laagdrempelige vorm van gezinsmanagement in eigen beheer uit te voeren. Te denken valt aan het onderbrengen bij uitvoerende gemeentelijke diensten als de GGD en de sociale dienst afhankelijk van welke problematiek het meest dominant is in het gezin.


Maak jeugdzorg overbodig; tip 4. Slimmer samenwerken met kinderopvang

Door Erik Gerritsen  29.06.11  5 reacties

Erik Gerritsen
Mijn vierde tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken gaat over slim samenwerken met de kinderopvang.

In het kader van het project “Alert4you” is in verschillende pilotprojecten al veel positieve ervaring opgedaan met samenwerking tussen jeugdzorg en kinderopvang. Zo werken in de regio Amsterdam MOC ’t Kabouterhuis (een gespecialiseerde Jeugd- en Opvoedhulp instelling voor jonge kinderen) samen met kinderopvanginstelling Partou. Medewerkers van het MOC trainen medewerkers van Partou “on the job” in opvoedondersteuning van ouders en vroegsignalering van problemen en “vroegstimulering” van oplossingen en dragen zo bij aan de professionalisering van de kinderopvang. Indien specialistische behandeling nodig is vindt die zo veel mogelijk plaats op de kinderopvang in plaats van dat de kinderen daarvoor naar het MOC moeten gaan.

 

Deze professionalisering van de kinderopvang is op zich zelf natuurlijk al een groot goed. Het is een plek waar veel jonge kinderen een aanzienlijk deel van hun tijd doorbrengen. Daarnaast zal “vroegstimulering” een bijdrage leveren aan het voorkomen van onnodige verergering van problemen en onnodig beroep op dure jeugdzorg. We moeten niet vergeten dat we het hier over jonge kinderen hebben in de leeftijdscategorie dat veel onherstelbare schade kan worden aangericht maar dus ook kan worden voorkomen of kan worden hersteld. Juist jonge kinderen zijn ongelooflijk veerkrachtig en kunnen complexe problematiek te boven komen. Tegelijkertijd is het signaleren en behandelen van problemen bij jonge kinderen extra ingewikkeld. Samenwerking met gespecialiseerde instellingen voor Jeugd en Opvoedhulp is dan ook noodzakelijk.

 

Maar de samenwerking tussen kinderopvang en jeugdzorg biedt nog veel meer potentie. Een professionele kinderopvang met goede samenwerkingsrelaties met in jonge kinderen gespecialiseerde jeugd- en opvoedhulp organisaties kan in bepaalde gevallen een aantrekkelijk perspectief zijn voor uithuisplaatsing van in hun veilige ontwikkeling bedreigde kinderen. Ouders kan, als alternatief voor het zware middel van Ondertoezichtstelling of zelfs uithuisplaatsing, worden aangeboden om hun kinderen verplicht een x aantal dagen op de kinderopvang te plaatsen, zodat er intensief zicht op hun ontwikkeling kan worden gehouden. Natuurlijk brengt dat kosten met zich mee, maar dat geldt ook voor een uithuisplaatsing waar een eigen bijdrage van ouders voor geldt. Bijkomend voordeel is dat een bijdrage wordt geleverd aan het verminderen van de wachtlijsten bij de instellingen voor Jeugd- en Opvoedhulp.

 

Als klap op de vuurpijl zal deze professionalisering van de kinderopvang de kans op nieuwe zedenzaken ook aanzienlijk verminderen. Alle reden dus voor gemeenten om deze samenwerking tussen kinderopvang en jeugdzorg te stimuleren. Vandaar dat ik Burgemeester van der Laan en wethouder Asscher al heb geadviseerd om de samenwerking tussen het Kabouterhuis en Partou uit te breiden naar samenwerking met alle kinderopvanginstellingen in Amsterdam in de hoop dat de andere gemeenten in de stadsregio Amsterdam snel zullen volgen. Zo wordt het werk van mijn Bureau Jeugdzorg op termijn weer een beetje meer overbodig. Wie wil dat nou niet?


Maak jeugdzorg overbodig; tip 5, “Meer huisverboden, minder uithuisplaatsingen”

Door Erik Gerritsen  08.07.11  10 reacties

Erik Gerritsen

Mijn vijfde tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken gaat over het meer gebruik maken van de bestaande mogelijkheden om plegers van huiselijk geweld een huisverbod op te leggen. De Rotterdamse wethouder jeugd Hugo de Jonge lanceerde dit idee recentelijk en ik ben het van harte met hem eens.

Op dit moment wordt het huisverbod vooral ingezet bij huiselijk geweld tussen volwassen partners. Als er sprake is van ernstig huiselijk geweld tegen kinderen dan wordt veelal voor alle zekerheid gekozen voor uithuisplaatsing van de kinderen, terwijl dat eigenlijk de omgekeerde wereld is. Als nu de geweldpleger bij kindermishandeling een huisverbod opgelegd krijgt, dan kan de “afkoelings”periode van maximaal 4 weken dat het huisverbod mag duren benut worden om een goede analyse van de situatie te maken en om te bezien of er alsnog afspraken te maken zijn met alle betrokkenen die de veiligheid van het kind bij terugkeer van de geweldpleger in het gezin kunnen waarborgen. Ook bij vermoedens van kindermishandeling kan een tijdelijk huisverbod preventief worden opgelegd.

 

Uithuisplaatsing van kinderen in verband met kindermishandeling (ook als het kind getuige is van huiselijk geweld tussen partners is sprake van kindermishandeling) zal zeker niet in alle gevallen voorkomen kunnen worden. Maar naar verwachting zal op zijn minst in een deel van de gevallen de situatie tijdens het huisverbod voldoende kunnen worden genormaliseerd, waarmee een altijd traumatiserende uithuisplaatsing voorkomen kan worden.

 

De dreiging van een uithuisplaatsing die tijdens het huisverbod boven de markt blijft hangen zal in een aantal gevallen een prikkel vormen voor de ouders in kwestie om snel mee te werken aan maatregelen en behandeling gericht op voorkoming van herhaling. Wellicht dat de huiselijk geweldpleger zelfs wel bereid is indien nodig vrijwillig wat langer dan de vier weken termijn elders te verblijven. In sommige gevallen zal nog wel een ondertoezichtstelling nodig zijn om te zorgen voor extra toezicht vanuit Bureau Jeugdzorg op het naleven van gemaakte afspraken. Maar een ondertoezichtstelling is nog altijd minder ingrijpend voor een kind dan een uithuisplaatsing. Bijkomend voordeel is dat een gewone ondertoezichtstelling goedkoper is dan een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing.

 

Overigens is er geen enkele reden om te wachten met het meer gebruik maken van huisverboden tot aan het moment dat de gemeenten verantwoordelijk worden voor de jeugdzorg. De bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod berust bij de Burgemeester. De gemeenten kunnen er dus samen met de Bureaus Jeugdzorg nu al mee aan de slag.


Maak jeugdzorg overbodig; tip 6, “Gebruik passie als alternatieve drang en dwang”

Door Erik Gerritsen  21.07.11  4 reacties

Erik Gerritsen
Mijn zesde tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken, gaat over het meer gebruik maken van de passie van kinderen als alternatieve vorm van drang en dwang. Natuurlijk is het een beetje beroepsdeformatie om zelfs passie van kinderen en jongeren te associëren met dwang en drang. Het punt dat ik wil maken is, dat in situaties waarin kinderen en jongeren in de knel niet gemotiveerd zijn om vrijwillig hun leven weer op orde te krijgen, er meer is dan de gebruikelijke, veelal juridische, dwang en drang middelen.
Zelf ben ik de kracht van passie van kinderen en jongeren op verschillende plaatsen tegengekomen. Zo zitten er nogal wat voetbaltalentjes tussen onze cliënten bij Bureau Jeugdzorg. En als die voetballertjes één ding vervelend vinden, is dat ze niet mee mogen doen met de wedstrijd op zaterdag. Van de voetbalopleiding van Ajax weet ik, dat wanneer de jongeren onterecht van school verzuimen, ze niet mee mogen doen aan de training en dan op zaterdag op de bank moeten zitten. Het zal niemand verbazen dat het schoolverzuim van de Ajax talentjes nihil is en dat vrijwel iedereen een diploma haalt. 

Bij restaurant The Colour Kitchen zie ik hoe jongeren “met een vlekje” die anders een grote kans lopen om verkeerd terecht te komen, met veel enthousiasme ervaring opdoen als kok, barman of ober. Werken in een echt restaurant waarin je uitstekend kunt eten werkt motiverend voor de jongeren. Wat ook motiverend werkt is, dat je niet hoeft terug te komen als je regelmatig te laat komt of de kantjes er van af loopt. Een kwestie van respect. 

Bij de kleine particuliere kunstacademie “Mixed Academy” wordt met succes geëxperimenteerd met het bieden van een combinatie van kunstonderwijs en regulier onderwijs. Je mag een paar dagen in de week zoveel tekenen, schilderen of digitaal ontwerpen als je wilt, zolang je er ook maar voor zorgt dat je ook je reguliere onderwijsvakken goed bijhoudt. 

Bij de Stichting Team Stages voeren teams van MBO/HBO jongeren serieuze betaalde opdrachten uit voor een range aan bedrijven en maatschappelijke organisaties. De uitval van onder deze jongeren is lager en de competentieontwikkeling is hoger. 

In het klein zijn er nog veel meer initiatieven waarbij passie van kinderen en jongeren gekoppeld wordt aan het hen motiveren om een succes te maken van hun leven. De mogelijkheden zijn legio. Elk kind of jongere heeft één of meer passies. Ook de kinderen en jongeren die in de knel zitten en niet direct gemotiveerd zijn om zelf wat aan hun ellendige situatie te doen. Denk aan sport, kunst, muziek, toneel, mode of computers. De gemeenten zijn bij uitstek in de positie om deze “wereld van passies” in te zetten als middel om kwetsbare kinderen in de knel te motiveren mee te werken aan de noodzakelijke hulpverlening. Een kwestie van het organiseren van de samenwerking met de betreffende verenigingen en stichtingen. Een kwestie van uitgaan de kracht van kinderen en jongeren in plaats van hun problemen. 

Met als prettig bijeffect dat de dure jeugdzorg weer een stukje meer overbodig wordt.


Maak jeugdzorg overbodig; tip 7, 'Woning, Werk, Wijf'

Door Erik Gerritsen  25.07.11  9 reacties

Erik Gerritsen

Mijn zevende tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken, gaat over het meer samenwerken met in het kader van de jeugdzorg niet traditionele netwerkpartners. Wat goed is om te weten, is dat een groot deel van de problematiek van de zwaarste doelgroep van multiprobleemgezinnen in principe niets met jeugdzorg te maken heeft. Te kleine woning, geen woning, schulden, geen werk, geen opleiding en inderdaad geen partner. Pieter Winsemius heeft het in dit verband over de drie W’s: woning, werk en 'wijf'.

Wat ook goed is om te weten, is dat het weinig zin heeft om aan complexere zaken als gedrags- of psychiatrische problemen (van zowel ouders als kinderen) of aan het verbeteren van opvoedvaardigheden van ouders te werken als een aantal 'basics' niet op orde zijn. Dure jeugdzorg- of volwassen GGZ-trajecten zijn weggegooid geld als die 'basics' niet op orde zijn. Het is nu éénmaal lastig om ruimte in je hoofd vrij te maken voor het ontvangen van zorg als er acht kinderen in een vierkamer appartement rondrennen (en dus maar veel naar op straat vluchten), je niet weet hoe je morgen eten op tafel moet krijgen en huisuitzetting wegens huurschuld permanent op de loer ligt. Ook blijkt dat veel probleemjongens zich een stuk beter gaan gedragen nadat ze een vast vriendinnetje aan de haak hebben geslagen.

 

Je zou zelfs kunnen zeggen dat het ontbreken van een normaal leven een broedplaats is voor jeugdzorgproblematiek. Gemeenten doen er dus verstandig aan om de samenwerking te zoeken met woningbouwcorporaties. Die hebben daar ook belang bij als het gaat om het voorkomen van overlast en ontstaan van huurschulden, De eigen sociale dienst heeft vele sleutels in handen als het gaat om schuldsanering en toeleiding naar werk. Samenwerking met het onderwijs is van groot belang als het gaat om het realiseren van innovatie leer/werktrajecten als de stap naar werk ineens te groot is. 

 

En is het te ver gezocht om als gemeente samenwerking te zoeken met gerenommeerde 'datingsites'? Met een speciaal plekje voor risicojongeren op zoek naar een partner? Als de gemeenten als regisseur alle partijen bij elkaar brengt dan ontstaat een interessante cocktail. 'Zit je leven in een dip en ben je op zoek naar een partner? Wij helpen je bij het vinden van een baan en een woning en dan ben je een aantrekkelijke partij op de dating markt.' Surf naar www.www.nl Er is vast ook nog wel een TV-producent te vinden die hier een interessant format van kan maken, bijvoorbeeld voor alle locale TV-zenders. 'Risicojongere met grote mond maar klein hartje zoekt vrouw'.

 

Ik hoor de cynici onder ons al weer denken, wie wil er nu gekoppeld worden aan een risicojongere? En wat als risicojongens en risicomeisjes massaal met elkaar gaan trouwen? Leidt dat niet juist tot heel veel nieuwe jeugdzorgcliëntjes? Is hier geen sprake van een verborgen agenda van een jeugdzorgbestuurder om de toekomst van zijn club veilig te stellen?

 

Nog los van het feit dat anders de kans ook groot is dat jongens en meisjes uit de sociale onderklasse elkaar uiteindelijk vinden, berust deze cynische reactie op een groot misverstand. Alsof jongeren die om wat voor reden dan ook veel pech hebben gehad in hun leven niet in staat zouden zijn hun leven weer op orde te krijgen. Er zijn genoeg mooie voorbeelden waarin, met een beetje steun in de rug net op het goede moment, op het eerste gezicht kansloze jongeren in staat bleken hun leven weer op de rails te krijgen. Het woord zegt het al, het gaat om risico’s niet om onvermijdelijkheden.

 

Het enige wat gemeenten moeten doen is uitgaan van een positief mensbeeld en het organiseren van de samenwerking. Leuk toch?


Maak jeugdzorg overbodig, tip 8: Veel meer lik op stuk'

Door Erik Gerritsen  04.08.11  18 reacties

Erik Gerritsen
Mijn achtste tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken, gaat over het meer werk maken van lik op stuk beleid.

Natuurlijk is het zo dat alleen straffen bij jongeren niet helpt. Wie dit niet gelooft verwijs ik naar alle wetenschappelijk onderzoek daarover waarin dit overtuigend wordt aangetoond. Bel anders even met het wetenschappelijke onderzoeksinstituut WODC van het ministerie van Veiligheid en Justitie, toch een onverdachte bron zou ik zeggen.

 

Tegelijkertijd is het ook zo dat vooral in de meest complexe jeugdzorg, waar sprake is van gebrek aan motivatie om mee te werken aan zorg, van “niet willen en niet kunnen” een focus op zorg ook niet werkt. Dat verwordt dan al snel tot “pappen en nathouden” en “excellent zorg mijden”. Het komt voor sommigen wellicht als een verrassing dat vanuit de jeugdzorg gepleit wordt voor meer lik op stuk, maar de basis voor effectieve pedagogiek is simpel. Het gaat om liefde en structuur, om zorg en dwang, om “tough love”. Daar hoort het stellen van grenzen en het opleggen van straf wanneer die grenzen worden overschreden gewoon bij. Macht zonder liefde is ineffectieve dictatuur. Liefde zonder macht is ineffectieve verwaarlozing.

 

In het bijzonder voor jongeren en nog meer in het bijzonder voor jongeren met een licht verstandelijke beperking, moet daarbij wel beseft worden dat het opleggen van straf alleen werkt als er maar een zeer korte tijd zit tussen het overschrijden van grenzen en het opleggen van straf. Lik op stuk dus. Dan heb ik het over weken (of liever nog dagen) en niet over maanden. En daar wringt hem nu net de schoen. Het hele justitiële systeem, van vaststellen en bewijzen van strafbare feiten tot en met de uitvoering van de straf, slaagt er namelijk al decennia niet in om doorlooptijden te realiseren in termen van maximaal enkele weken. De doorlooptijd in de justitiële jeugdketen betreft veelal een kwestie van vele maanden en soms nog langer.

 

Ik ben persoonlijk meerdere malen getuige geweest van rechtszaken ten aanzien van schoolverzuim tot aan straatroof, die gingen over een delict dat vele maanden daarvoor was gepleegd. De jongeren in kwestie (die veelal meerdere rechtszaken hadden lopen) hadden vaak geen idee voor welke zaak ze voor de rechter stonden. Kwam een jongere niet opdagen dan werd de rechtzaak met het grootste gemak weer over vier maanden op de rol gezet. In dit soort situaties kun je een positief gedragseffect van straffen wel op je buik schrijven. Sterker nog, veel jongeren worden steeds vaardiger in het bespelen van het jeugdstrafrechtsysteem. Rekken, vertragen, in beroep gaan, vlak voor de rechtszaak met een brief van een leraar komen waaruit blijkt dat het “net” zo goed op school gaat en het toch zonde zou zijn als nu eerst een straf moet worden uitgediend. Rechters komen in dit soort gevallen vaak in de verleiding om de jongere dan nog maar weer eens zijn zoveelste laatste kans te geven en de jongeren weten dit. Ironisch om te ervaren hoe het jeugdstrafrechtsysteem zo een belangrijke bijdrage levert aan pappen en nathouden waar je lik op stuk zou verwachten.

 

Dit gebrek aan daadwerkelijk lik op stuk is juist voor de werkers in de jeugdzorg die niets liever doen dan werken op basis van “tough love” een grote frustratie. Dreigen met straf is immers weinig geloofwaardig als de jongeren in kwestie weet dat het vele maanden en zelfs jaren kan duren voordat er daadwerkelijk straf wordt opgelegd en dat er gedurende die lange doorlooptijd nog vele mogelijkheden zijn om alsnog onder die straf uit te komen. De jeugdzorg wordt vaak gezien als de softe sector, maar in mijn ervaring komt de justitieketen eerder voor deze titel in aanmerking. Daar wordt dus veel belastinggeld verspild geredeneerd vanuit het primaire doel van het jeugdstrafrecht, te weten positieve gedragsverandering.

 

Gebrek aan lik op stuk leidt ook tot perverse effecten in de jeugdzorg. Als je bijvoorbeeld als jeugdreclasseerder weet dat een terugmelding naar de rechter (bij overtreding van de jongeren van zijn reclasseringsvoorwaarden) leidt tot een rechtszaak over negen maanden, een periode waarin de jongeren in kwestie veelal niet meer zal meewerken met de jeugdreclasseerder en een grote kans loopt om verder af te glijden, dan kom je snel in de verleiding om de terugmelding uit te stellen en het nog maar een keer met de jongere te proberen.

 

De focus die het huidige kabinet lijkt te leggen op hogere straffen voor zwaar criminele jongeren is wellicht uit oogpunt van vergelding te verdedigen, maar als ik het voor het zeggen had, zou ik eerst al mijn energie richten op het daadwerkelijk realiseren van lik op stuk. Hogere pakkans door de politie, de mogelijkheid tot versnelde afdoening via het Openbaar Ministerie binnen enkele weken en voor de resterende zaken binnen twee maanden voor de rechter door de logistiek in de werkprocessen van de justitieketen ingrijpend te stroomlijnen.

 

Ik ben er van overtuigd dat een vergrote handelingssnelheid in de justitieketen zich snel zal rond praten onder de jongeren in kwestie, onder andere via de onder jongeren populaire sociale media. Veel meer jongeren dan nu zullen eieren kiezen voor hun geld en gaan meewerken met jeugdzorg. Met als resultaat minder belasting van het justitie apparaat, minder recidive en het voorkomen van onnodige verergering van jeugdzorgproblematiek.

 

In dit verband verdient de Burgemeester van Amsterdam Eberhard van der Laan alle steun met zijn top 600 aanpak die gelukkig ook niet beperkt blijft tot de top 600 zwaarste jonge criminelen, maar zich ook uitstrekt tot hun jongere broertjes en zusjes die vaak ook al in opleiding zijn voor een criminele carrière. De kern van de top 600 aanpak is immers gericht op het vergroten van de handelingssnelheid in de justitieketen, op meer lik op stuk. Sneller toepassen van dwang zal ook de in te zetten (jeugd)zorg effectiever maken en het beroep op dure jeugdzorg doen verminderen.

 

Van der Laan laat zien dat een gemeente het voortouw kan nemen in het realiseren van lik op stuk beleid door daarover harde afspraken te maken met de lokale justitiepartners en het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dat ook de verschillende jeugdzorgorganisaties van harte meedoen mag niemand verbazen. Een “tough love” aanpak werkt immers alleen goed en geloofwaardig als de stok ook letterlijk achter de deur staat in plaats van dat die in geen velden of wegen te bekennen is.


Maak jeugdzorg overbodig; tip 9: 'Besturen met de pink'

Door Erik Gerritsen  11.08.11  4 reacties

Erik
                                                          Gerritsen
Mijn negende tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken, gaat over wat ik noem “besturen met de pink”. In essentie gaat het om het afscheid nemen van het nog steeds in overheidsland dominante top down, hiërarchisch bureaucratische besturingsmodel.

Dat besturingsmodel is bij uitstek ongeschikt om ongetemde problemen als die van de jeugdzorg te lijf te gaan, omdat de ingewikkelde en weerbarstige werkelijkheid zich niet in simplistische beleidslogica laat vangen. Probeer je dat toch, dan wordt je als overheid uiteindelijk uitgerookt en uitgewoond door het bestaande systeem met zijn zeer krachtige domeinbelangen en uitéénlopende percepties van de werkelijkheid. Begrijp me niet verkeerd, het gaat hierbij wat mij betreft om legitieme deelbelangen en een rijkdom aan verschillende percepties over de aard van de problemen en oplossingsrichtingen. Maar omdat je als overheid simpelweg niet de macht hebt om je wil op te leggen aan de vele bij de jeugdzorg betrokken actoren, leidt het aangaan van een machtsstrijd met de bestaande instituties simpelweg tot institutionele verlamming. Wat overheden dan veelal uit wanhoop en behoefte aan eenvoud en spierballen tonen doen is zich vergrijpen aan de volgende disfunctionele reorganisatie die veel geld kost en niets oplost. Zo ook ten aanzien van de jeugdzorg die de afgelopen tientallen jaren behoorlijk kapot is gereorganiseerd. [1]

 

Ben je dan als overheid machteloos? Geenszins, zolang je de sterke neiging om puur top down te werken maar kunt weerstaan. Besturen met de pink betekent dat je al die onvermijdelijk (of je dat nu leuk vindt of niet) bij de jeugdzorg betrokken uitvoeringsorganisaties voor je laat werken. Dat je de positieve energie die in de uitvoering wel degelijk aanwezig is als overheid letterlijk ontketent en de domeinbelangen en deelpercepties productief maakt. Dat vergt wel een forse omslag in denken. Bijvoorbeeld dat “it takes a network to fight a network” en dat complexe problemen complexe oplossingen vergen. Dat het in beginsel een uitkomst is dat je al die verschillende uitvoeringsorganisaties tot je beschikking hebt, omdat ze allemaal een deel van de oplossing in handen hebben. Dat je dus vooral de samenwerking goed moet faciliteren.

 

Hoe maak je als overheid van complexiteit iets productiefs in plaats van dat complexiteit verzandt in weerbarstigheid? Hoe doe je dat “besturen met de pink” dan concreet? Dat is eigenlijk niet eens zo moeilijk. Je pakt gewoon de regie door gebruik te maken van je “capacity to convene”. De Burgemeester of een wethouder roept rondom een bepaald probleem (bijvoorbeeld overlastgevende multiprobleemgezinnen) gewoon de bestuurders van alle betrokken organisaties bij elkaar en laat deze bestuurlijke tafel hoogfrequent net zo lang bij elkaar komen totdat het probleem is opgelost. De oplossingen worden op de werkvloer door samenwerkende frontlijnprofessionals bedacht en knelpunten worden via een escalatieprocedure desnoods op het hoogste niveau van de bestuurlijke tafel beslecht. Klein beginnen, op basis van concrete casuïstiek, helpt om het probleem letterlijk een gezicht te geven en om te voorkomen dat men collectief blijft wegkijken. Op deze manier gerealiseerde proeftuinsuccessen kunnen vervolgens breder worden ingerold, waarbij steeds weer nieuwe groepen van samenwerkende frontlijnprofessionals in staat worden gesteld om hun eigen leerproces door te maken. Inderdaad, het wiel moet steeds weer opnieuw worden uitgevonden om verbeteringen duurzaam in de genetische plaat van elke deelnemer te branden.

 

Het enige dat de overheid hoeft te doen is zorgen voor koffie, een zaaltje, een goede voorzitter, hoogfrequente ontmoetingen, een escalatieprocedure, soms wat “seed money” en een leerplatform voor alle samenwerkende frontlijnprofessionals. Op deze manier worden de verschillende organisaties als het ware losgeweekt uit hun domeinbelangen en deelpercepties en groeien ze toe naar een gemeenschappelijke aanpak waarin het oplossen van het probleem centraal staat waaraan iedereen zijn unieke en onmisbare bijdrage levert. Wie meer wil weten over hoe dit in zijn werk gaat verwijs ik naar de casusonderzoeken uit mijn conceptproefschrift te raadplegen opwww.deslimmegemeente.nl.

 

De stelselwijziging in de jeugdzorg die in aantocht is regelt op systeemniveau alles wat nodig is om de gemeenten als toekomstige opdrachtgever in de positie te brengen om dit “besturen met de pink” ook mogelijk te maken. Één bestuurslaag verantwoordelijk, één gebundelde doeluitkering en een beperkt aantal kwaliteitseisen. Meer moet de rijksoverheid overigens ook niet doen. Ook dat is besturen met de pink maar dan op landelijk niveau. Systeemvoorwaarden regelen en er verder met je handen vanaf blijven en het aan de gemeenten overlaten, in plaats van via de achterdeur toch weer dingen top down willen dichtregelen.

 

Besturen met de pink is niet alleen een manier om de samenwerkingsproblemen ten aanzien van de “usual suspects” in de jeugdzorg zoals de jeugd- en opvoedhulp, jeugdpsychiatrie, instellingen voor licht verstandelijk beperkte kinderen, Bureau Jeugdzorg, Centra voor Jeugd en Gezin, GGD, scholen, Raad voor de Kinderbescherming, Rechtbank, Openbaar Ministerie en Politie aan te pakken. Besturen met de pink is ook de manier om nieuwe onorthodoxe samenwerkingsverbanden aan te gaan met de volwassenenpsychiatrie (75% van de jeugdzorgproblemen wordt veroorzaakt door problemen van de ouders), woningbouwcorporaties (veel jeugdzorgproblematiek wordt veroorzaakt door gebrek aan of te kleine woonruimte, woningbouwcorporaties beschikken over eigen maatschappelijk werkers, buurtconciërges en schuldhulpverleners), maatschappelijk werk, jongerenwerk, thuiszorg, kinderopvang en niet te vergeten gemeentelijke diensten als de sociale dienst en de afdeling “WMO”. Al deze instellingen beschikken over frontlijnprofessionals die ook in de gezinnen komen met jeugdzorgproblematiek. Als je die als gemeente beter aan het samenwerken krijgt dan maken vele handen het werk echt lichter en je bent er eerder bij zodat onnodig beroep op de dure jeugdzorg voorkomen wordt. Dan kan er fors meer maatschappelijke waarde worden gerealiseerd voor fors minder geld.

 

De bal ligt voor gemeenten voor het intikken. Daarbij is wel tot slot van belang om te beseffen dat voor succesvol besturen met de pink twee zaken essentieel zijn. Ten eerste de al genoemde “mindshift” waarin men het aandurft om uitvoeringsgericht te gaan werken en afscheid neemt van de dominante beleidslogica. Ten tweede bestuurders en ambtenaren die beschikken over competenties op het terrein van netwerkmanagement en verandermanagement. Daar moet nog wel een stevige slag gemaakt worden.



[1] Zie voor een uitgebreide toelichting mijn artikel “De jeugdzorg: van reorganiseren naar uitvoeringsgericht werken, in Voorbij de crisis: een nieuwe tijd vereist een nieuwe overheid, R. Fraanje en J. van de Knaap (red), 2010, Amsterdam (Van Gennep).


Maak jeugdzorg overbodig; tip 10, 'Gezinsmanagement'

Door Erik Gerritsen  17.08.11  29 reacties

Erik
                                                          Gerritsen
Mijn tiende tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken, gaat over de mijns inziens belangrijkste innovatie in de jeugdzorg van de afgelopen tijd, te weten “gezinsmanagement”. Voor een uitgebreide toelichting op wat een gezinsmanager doet verwijs ik naar bijgevoegd boekje, maar de gezinsmanager verdient een plek in deze serie tips vanwege de sleutelrol die deze functie kan vervullen in het nieuwe jeugdzorgstelsel. 

De huidige gezinsmanagers werkzaam bij de Bureaus Jeugdzorg maken met toenemend succes een einde aan het gebrek aan samenwerking tussen de verschillende professionals op de werkvloer en de niet effectieve kindgerichte aanpak van de jeugdzorg “oude stijl”. Ze staan met één been in het hele gezin, werken dus gezinsgericht (alleen dat is effectief) en met één been in het uitvoerdersoverleg als voorzitter/regisseur. Ze zijn vrijwillige jeugdhulpverlener, jeugdbeschermer en jeugdreclasseerder in één, zodat ze alle kinderen in het gezin kunnen bedienen en ook in het gezin kunnen blijven als er van kader (gedwongen/vrijwillig) wordt veranderd.

 

Zeer belangrijk voor het realiseren van continuïteit in de hulpverleningsrelatie. Ze zijn niet de baas, maar omdat ze beschikken over de bevoegdheid om te escaleren bij verschil van mening of onvoldoende samenwerken, beschikken ze “de facto” over doorzettingsmacht. Hierdoor kunnen ze een éénduidige manier van werken realiseren en wordt de vicieuze cirkel van langs elkaar heen werkende instanties die het zorgmijdende gedrag van jeugdzorgcliënten aanjagen doorbroken. Cliënten die ook steeds vaardiger worden in het tegen elkaar uitspelen van de verschillende instanties (jeugdzorg als “academie voor excellent zorgmijderschap), maar tegelijkertijd ook steeds meer het vertrouwen in de jeugdzorg verliezen. Het doorbreken van deze vicieuze cirkel heeft als belangrijkste resultaat, dat er een einde komt aan de bekende situaties waarin sprake is van jarenlange in en uitvliegende, niet op elkaar afgestemde en daardoor weinig effectieve jeugdzorginterventies. 

Niet onbelangrijke bijvangst is dat invoering van gezinsmanagement op termijn leidt tot het realiseren van een lagere “caseload”, terwijl men meer kinderen bedient. Het is nu éénmaal minder belastend om 30 kinderen van 5 gezinnen in je “caseload” te hebben dan 15 kinderen van 15 gezinnen. Om dit te realiseren moet nog wel even de huidige kindgerichte manier van financieren worden aangepast, maar dat terzijde. 

Gezinsmanagement bij de Bureaus Jeugdzorg is in eerste instantie ontwikkeld voor de meest complexe (overlastgevende) multiprobleemgezinnen. Maar inmiddels is duidelijk dat gezinsmanagement gewoon de beste manier is om de kerntaken van Bureau Jeugdzorg uit te voeren voor alle onder haar verantwoordelijkheid vallende gezinnen. Vandaar dat er een beweging gaande is naar integrale invoering van gezinsmanagement. Daar gaan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers de vruchten van plukken, omdat gezinsmanagement in het (vrijwillig) gedwongen kader onnodig beroep op dure jeugdzorg voorkomt. Vanwege de eerste positieve ervaringen pleit alles er voor dat de gemeenten gezinsmanagement ook invoeren voor die gezinnen die weliswaar al veel problemen hebben, maar waar nog geen sprake is van “niet willen/niet kunnen”. Eerder stevig gecoördineerd acteren door gezinsmanagers van bijvoorbeeld de GGD of de sociale dienst, kan in een aantal gevallen voorkomen dat gezinnen afglijden naar een situatie dat de veilige ontwikkeling van de kinderen in het geding komt. 

Belangrijk voor de bredere invoering van gezinsmanagement is dat de functie gepositioneerd wordt als “verlengde overheid”. Het is geen functie die je moet uitbesteden aan jeugdzorgaanbieders, om dat dan de kat te veel op het spek wordt gebonden. De gezinsmanager moet er mede namens de gemeente voor zorgen dat er effectief met het jeugdzorggeld wordt omgesprongen en moet voorkomen dat er aanbodgericht jeugdzorg wordt aangeboden. De gezinsmanager heeft als enige focus wat het beste en effectiefste is voor het gezin, terwijl alle andere spelers daarnaast ook andere (omzet)belangen hebben. Het is dus van belang om die functie als gemeente in eigen hand te houden. 

Omdat de gezinsmanager permanent zicht houdt op de effectiviteit van de geboden jeugdzorg in het gezin, blijf je, bij afschaffing van de indicatiestelling, als gemeente beschikken over een alternatief en veel goedkoper instrument op de kosten te beheersen. De functie van gezinsmanager is zo ook behulpzaam bij de omslag van georganiseerd wantrouwen naar georganiseerd vertrouwen. De jeugdzorginstellingen worden weer vertrouwd ten aanzien van het zelf bepalen welke zorg het meest passend is, maar weten wel dat ze dit vertrouwen moeten waar maken in de ogen van de gezinsmanager, die anders richting zijn opdrachtgever, de gemeente zal aangeven dat het betreffende jeugdzorgaanbod tekortschiet. 

De vormgeving van gezinsmanagement ontwikkelt zich nog steeds verder. Interessant is bijvoorbeeld de ontwikkeling waarin gezinsmanagers steeds meer buurtgericht gaan werken. Door de ontwikkeling naar professioneel generalist wordt het mogelijk om flexibel en op maat aan te sluiten bij de vele buurtspecifieke samenwerkingsbiotopen. Een tweede interessante ontwikkeling is, dat gezinsmanagers het uitvoerdersoverleg laten plaatsvinden in aanwezigheid van het hele gezin. Niet meer praten over, maar praten met het gezin. En waarom niet ook met het sociale netwerk erbij dat is ontstaan naar aanleiding van een Eigen Kracht Conferentie? Dat zijn inderdaad heel veel spelers om de tafel, maar de eerste ervaringen zijn positief. Besturen met de pink (zie mijn vorige column) op werkvloerniveau. 

Het mag geen verbazing wekken dat een goede gezinsmanager over niet minder dan excellente professionele vaardigheden moet beschikken. De ontwikkeling van gezinsmanagement gaat de goede kant op, maar het is een proces van vallen en opstaan en we zijn er zeker nog niet. Eerste ervaringen geven aan dat het mogelijk is om medewerkers op te leiden tot het vereiste niveau. Maar het is wel een proces van lange adem gezien de hoge eisen die aan een gezinsmanager worden gesteld. Durven escaleren, uitvoeringspartners aanspreken op hun leverplicht, gezaghebbend overeind blijven in de meest complexe situaties met al die verschillende belangen van gezinsleden en uitvoeringsinstellingen, het is geen klein bier, waar nog dagelijks mee wordt geworsteld. 

En ja dat vergt dus fors investeren in de professionalisering van de gezinsmanagers, maar dat is “peanuts” in vergelijking met de besparingen op onnodig dure jeugdzorg die met gezinsmanagement kunnen worden gerealiseerd en die in het nieuwe stelsel ten gunste komen van de gemeenten. Die maatschappelijke businesscase kan iedere gemeente maken, want “if you pay peanuts, you get monkeys”.


Maak jeugdzorg overbodig; tip 11, 'Families helpen families'

Door Erik Gerritsen  23.08.11  34 reacties

Erik
                                                          Gerritsen
Mijn elfde, na twee lange nu ultrakorte tip aan de gemeenten als toekomstige opdrachtgevers om jeugdzorg zoveel mogelijk overbodig te maken, gaat over een mooie innovatie uit Australië, het “Families by Families” project. 

In het verlengde van het gedachtegoed van “eigen kracht”, worden in dit project maatschappelijk succesvolle families als vrijwilligers gekoppeld aan families die te kampen hebben met problemen. De families komen regelmatig bij elkaar over de vloer, gaan op gezamenlijke trips, eten zo nu en dan samen en fungeren als rolmodel en coach. De resultaten zijn veelbelovend. Families in de knel hervinden hun eigen kracht, zonder (veel) inzet van professionele zorginstanties. Voor meer informatie zie www.tacsi.org.au/our-projects/family-by-family/ Vooral de filmpjes zijn zeer de moeite van het bekijken waard. 

Natuurlijk is dit niet de oplossing voor alle jeugdzorgkwalen en voor zware problematiek zal nog steeds de inzet van professionele jeugdzorg nodig blijven. Maar de ervaringen in Australië duiden op een positief effect op het voorkomen van onnodig dure jeugdzorg. 

Wellicht dat in navolging van de stichting Eigen Kracht Centrale in Nederland een vergelijkbaar particulier initiatief zal ontstaan voor “Families helpen Families”. Maar wat let de gemeenten om het oprichten van zo’n stichting een eerste impuls te geven? Ongetwijfeld zullen er in alle gemeenten veel gezinnen te vinden zijn voor wie het zijn van “full time” pleeggezin een brug te ver is, maar die van harte bereid zijn om een gezin dat tijdelijk in de knel zit een steuntje in de rug te geven.


Maak jeugdzorg overbodig, tip 12: begin nu!

Door Erik Gerritsen  02.09.11

Erik
                                                          Gerritsen
Mijn twaalfde tip aan gemeenten om jeugdzorg zo veel mogelijk overbodig te maken betreft het advies om gewoon nu te beginnen met experimenteren in de geest van de aanstaande stelselherziening in plaats van daarmee te wachten tot de formele afronding ervan in wetgeving. 
Alhoewel de eerste vertragingen vanwege gekibbel over het bestuursakkoord tussen Rijksoverheid en de VNG zich al weer aandienen, mogen we er toch vanuit gaan dat ergens rond 2015/2016 de waarlijk historische stelselwijziging van de jeugdzorg formeel haar beslag gaat krijgen. Er is sprake van een unieke en stabiele kamerbrede consensus die er toe zal leiden dat een volgend kabinet deze majeure bestuurlijke hervorming ongetwijfeld zal afmaken. 

Maar waarom, bij zo'n unieke politieke consensus en de historische kans om een einde te maken aan tientallen jaren kapotreorganiseren van de jeugdzorg, wachten, als het merendeel van het gedachtegoed achter de stelselherziening ook nu al in de praktijk kan worden uitgeprobeerd? Zonder wettelijk kader moet dat nog grotendeels op basis van vrijwillige samenwerking gebeuren, maar mogelijk is het wel. Het voordeel van experimenteren is ook dat de meeste elementen van de stelselwijziging kunnen worden uitgetest in de vorm van een ex ante praktijkuitvoeringstoets. De leereffecten van die experimenten kunnen vervolgens worden meegenomen om de uiteindelijke wetgeving volledig uitvoeringsproof te maken. De praktijk laten spreken noem ik dat. Voordeel is ook dat veel voordelen van het nieuwe jeugdzorgstelsel veel eerder kunnen worden gerealiseerd en dat is goed nieuws voor de meest kwetsbare burgers van ons land. Kortom, mijn advies aan gemeenten is om gewoon vandaag te beginnen. 

In de Stadsregio Amsterdam zijn we hier al een tijdje geleden mee gestart, deels zelfs al voor dat de parlementaire werkgroep Jeugdzorg haar belangrijke rapport uitbracht en de stelselwijziging in het regeerakkoord van het kabinet Rutte werd aangekondigd. Zo is het concept van gezinsmanagement (zie tip 10) met succes uitgeprobeerd en verder ontwikkeld in het kader van de aanpak van (overlastgevende) multiprobleemgezinnen en wordt nu gewerkt aan bredere invoering. Zo is de bureaucratische indicatiestelling in stappen vereenvoudigd. 

Eerst is de indicatietermijn standaard op twee jaar gesteld. Vervolgens is een aantal lichte jeugdzorgtrajecten indicatievrij gemaakt (men hoeft niet meer via Bureau Jeugdzorg). Op dit moment wordt geëxperimenteerd met decentralisatie van vrijwillige geïndiceerde jeugdzorg voor de doelgroep “willen en kunnen” naar de gemeenten, onder gelijktijdige vervanging van de bureauratische indicatiestelling door eenvoudige verwijzing. Ook daar zit Bureau Jeugdzorg niet meer tussen. En sinds 1 juli is ook de indicatiestelling voor de complexe jeugdzorg (met uitzondering van de gesloten jeugdzorg) voor de doelgroep “niet willen/niet kunnen” op proef vervangen door een veel eenvoudiger systeem van verwijzing door Bureau Jeugdzorg naar jeugdzorginstellingen. Door het wettelijk voorgeschreven Plan van Aanpak tevens als indicatiebesluit te hanteren wordt ook gewoon binnen de wettelijke kaders gewerkt. Nergens staat voorgeschreven dat het indicatiebesluit een apart document moet zijn. 

Ook wordt geëxperimenteerd met het werken met veel minder verschillende documenten. In plaats van per kind aparte documenten één rapportage per gezin, dat als “levend” basisdocument het bijhouden van aparte uitgebreide contactjournaals overbodig maakt en als bron dient om andere documenten, zoals bijvoorbeeld de aanvraag voor een ondertoezichtstelling, vrijwel automatisch uit te genereren. Nergens staat wettelijk voorgeschreven dat er met zoveel verschillende documenten moet worden gewerkt. 

Het gaat om organisatie interne regeleving die dus ook door jeugdzorgorganistaties zelf kan worden aangepast. Het werken met gebundelde doeluitkeringen wordt gesimuleerd door de Stadregio en de Zorgverzekeraars als inkopers van jeugdzorg gezamenlijk te laten optrekken. Tot slot wordt in overleg met de Ministeries van VWS en VenJ gewerkt aan het opstellen van maatschappelijke businesscases gericht op het al met ingang van 2012 doorbreken van de nu nog verlammende kosten-batenterreur (investeringen in het ene jeugdzorgsegment komen niet tot stand omdat de daarmee te realiseren besparingen – hoe omvangrijk ook – in een ander jeugdzorgsegment vallen). 

Maar hier hoeft het niet bij te blijven. Gemeenten kunnen de komende maanden al bepalen op welke schaal ze als inkoopcombinatie willen gaan samenwerken voor die delen van de jeugdzorg waarvoor dat in verband met schaaleffecten verstandig is. Om vervolgens met de Provincies en Stadsregio's afspraken te maken om alvast te gaan schaduwdraaien de komende jaren. En het verdient zeer de aanbeveling om in overleg met de jeugdzorginstellingen snel te starten met professionaliseringsprogramma's. Want uiteindelijk staat of valt het succes van de stelselherziening met de kwaliteit van de frontlijnprofessionals die het echte werk moeten doen. 

Het verdient tot slot ook nadrukkelijk aanbeveling om zo snel mogelijk te gaan experimenteren met de gelijktijdige decentralisatie van de vrijwillige en de gedwongen jeugdzorg. In het regeerakkoord zijn deze twee trajecten gesplitst en dat is een grove weeffout, omdat de splitsing volledig haaks staat op de filosofie achter de stelselwijziging. De gedwongen jeugdzorg een aantal jaren later decentraliseren zou de gemeenten de belangrijkste schakel om de kosten van de totale jeugdzorg te verminderen te lang onthouden. Door ook dit element mee te nemen in de experimenten wordt deze grove weeffout direct onschadelijk gemaakt. 

Experimenteren is grotendeels een kwestie van de ruimte daarvoor nemen door gemeenten. Maar deels moeten de gemeenten daarvoor ook de ruimte krijgen van Provincies/Stadsregio's en de Rijksoverheid. Er komt een landelijke tri partite regie (Rijksoverheid, IPO, VNG, brancheorganisaties) die het grote risico met zich meedraagt dat via de achterdeur toch weer van alles wordt gecentraliseerd en geuniformeerd richting “laagste gemene deler”, terwijl er juist ruimte voor verschil en maatwerk moet zijn. De grootstedelijke regio Amsterdam is nu eenmaal anders dan Friesland of Limburg. 

Met de elementen van overheveling van alle jeugdzorgtaken naar een bestuurslaag in combinatie met één doeluitkering voor alle jeugdzorg wordt op landelijk niveau feitelijk alles geregeld wat daar geregeld moet worden. Daarmee zijn er voor gemeenten voldoende prikkels gerealiseerd om de beste jeugdzorg te realiseren voor elke gemeente. De landelijke regie zou zich verder moeten beperken tot het uitwisselen van leerervaringen, bewaken van het tijdpad en het gezaghebbend oplossen van conflicten waar partijen op regionaal en gemeentelijk niveau niet onderling uitkomen. 

Een uitzondering daarop betreft het gezamenlijk vaststellen van kwaliteitseisen en een systeem om die kwaliteitseisen te handhaven. Overigens sluimert ook hier het risico dat een bureaucratisch kwaliteitssysteem de facto leidt tot centralisatie en nieuwe bureaucratie via de achterdeur. De manier om dit risico te voorkomen is door landelijk te werken aan een nieuw niet bureaucratisch kwaliteitssysteem dat zich vooral concentreert op het certificeren van de jeugdzorgprofessionals in plaats van op het certificeren van procedures en protocollen. Dat kan dan mooi worden ingewoven in het al lopende landelijke professionaliseringstraject dat nu nog veel te veel is gericht op tuchtrecht en formalistische functie eisen. 

De vraag die natuurlijk opkomt na dit alles is, waarom de stelselwijziging eigenlijk nog nodig is als we alles eigenlijk morgen al kunnen gaan uitproberen? Het antwoord is simpel. De bestaande institutionele belangen zijn krachtig en komen alleen in beweging met de formele stelselwijziging als stok achter de deur. Doordat alle partijen weten dat de stelselwijziging onvermijdelijk op hun af komt zullen ze met meer of minder enthousiasme meewerken aan en mee anticiperen op wat onvermijdelijk komen gaat. 

Gewoon beginnen maakt blij van zinnen. Want wat is er mooier dan wanneer we ergens in 2015/2016, nadat alle wetswijzigingen door de Tweede en Eerste Kamer zijn goedgekeurd, kunnen vaststellen dat er slechts sprake is van de formele afzegeging van een reeds bestaande nieuwe realiteit?